Bestaande Woning Bouw






Achterstand van de renovatiepraktijk door kenniskrimp

14 maart, 2012 | door Martin Liebregts

De titel voor deze beschouwing is aangeleverd door een artikel in de NRC van 10 maart 2012, waarin de fluctuerende ontwikkeling van de Homo sapiens werd beschreven door Chris Stringer. Uiteindelijk ligt de kracht van een soort of gemeenschap in de kennisaccumulatie op termijn. Met andere woorden, dat we de kennis van onze voorgangers vasthouden en ermee doorgaan. Het risico van kenniskrimp ontstaat door het ontbreken van continu√Įteit in de kennisverwerving en kennisuitwisseling. De stadsvernieuwings- en renovatiepraktijk, met de bijbehorende kennis, zijn hier aardige illustraties van.
In de periode 1970-2012 was en is er sprake van verregaande kenniskrimp. Begin deze eeuw was deze kennis bijna geheel verdwenen. Hetzelfde geldt voor de praktijk van de energiebesparing in de bestaande woningvoorraad, die hieraan parallel loopt.

De aanloop (1970-1979)

Begin jaren zeventig van de vorige eeuw verschijnt de woningverbetering op het toneel. Allerlei termen worden er gehanteerd om het nieuwe verschijnsel een plaats te geven. Woorden als rehabilitatie, vernieuwbouw en renovatie wisselen elkaar af, bij de poging de gewenste kwaliteitsaanpassing een maatschappelijke plek te geven. Voor zover het om het behoud en de aanpassing van bestaande woningen en gebouwen ging, was restauratie tot dan toe het enige bekende woord. De opkomst van deze nieuwe verschijnselen gebeurde op het moment dat de nieuwbouwproductie op zijn hoogtepunt was. In de periode 1970-1979 zijn er gemiddeld 120 duizend nieuwe woningen gebouwd.
De noodzaak van de aanpak van de bestaande woningen was gelegen in de onderhoudtechnische staat van de vooroorlogse, sociale woningen, die gemiddeld bijna vijftig jaar oud waren, en in de sterke verbetering van de uitrusting van de nieuwe woningen ten aanzien van sanitair en verwarmingsmogelijkheden. Het duurde vervolgens tot eind jaren zeventig dat er schoorvoetend gespecialiseerde bouwbedrijven ontstonden, die zich bekwaamden in deze nieuwe opgave.

Het hoogtepunt (1980-1985)

Vooral door de sterk toegenomen maatschappelijke druk tegen sloop en de politieke bemoeienissen van de (centrale) overheid met woningverbetering, krijgt het verschijnsel ook zijn maatschappelijke en technische invulling. Er ontstaan nieuwe technieken, die de praktijk een versnelling geven, onder aanvoering van de gemeentelijke diensten Volkshuisvesting. Het begint er op te lijken dat renovatie alledaags wordt. Renovatie vormde in die tijd een structureel onderdeel van de stadsvernieuwing. Het zijn vooral de gemeentelijke diensten die ervoor zorgen dat de kennis vastgelegd en doorgegeven wordt. En misschien is het verstandig de publicaties uit het recente verleden (1965-2000) opnieuw toegankelijk te maken.

Het einde van de stadsvernieuwing en de aanpak van de naoorlogse woningbouw (1986-1995)

Geleidelijk verdween de overheid uit beeld. Zeker als rond 1990 de liberalisering van het beheer van het sociale woningbezit op de voorgrond treedt. De aandacht verschuift dan van de oude binnensteden naar de naoorlogse wijken. Juist in deze wijken begint het onderhoudsprobleem zichtbaar te worden. Het initiatief
verschuift van de lokale en de landelijke overheid naar die van de afzonderlijke woningcorporaties. Voor de techniek neemt de vraag naar onderhoudsarm toe en ten aanzien van de gewenste kwaliteitsaanpassing wordt ‚Äėstrategisch voorraadbeleid en -beheer‚Äô het magische woord. Alles bij elkaar wordt het steeds stiller op het renovatiefront. Een tijdelijke uitzondering hierop vormt het E‚Äônovatieprogramma van Novem, dat gedurende de jaren 1988-1992 een uitgebreid demonstratieprogramma organiseert met de bijbehorende kennisopbouw en -uitwisseling. Even lijkt het erop dat door de noodzaak van energiebesparing renovatie toch weer op de maatschappelijke agenda terecht komt.

De stilstand (1996-2005)

De hele renovatiepraktijk heeft in de periode 1995-2005 nauwelijks aandacht gehad. De kennis over deze praktijk verdween bijna volledig. De gemeentelijke diensten Volkshuisvesting krompen volledig in. En corporatieland was of bezig met (groot)onderhoud of nieuwbouw. Het is ook in deze periode dat vervangende nieuwbouw geleidelijk naar zijn hoogtepunt groeit. Het begon er op te lijken dat de bestaande woningbouw, en de aanpassing ervan, niet op de agenda stond van de beleidsmakers en beslissers. Het resultaat is dat kenniskrimp bijna geleid heeft tot het verdwijnen van de opgebouwde kennis in het verleden.

De nieuwe opbloei (2006-heden)

Enkele jaren geleden, rond 2005/2006, begint opnieuw de belangstelling voor de bestaande bouw, en de aanpassing ervan, toe te nemen. In eerste instantie is de omvang hiervan de aanleiding. In 2005 is de woningvoorraad gegroeid tot ruim 6,8 miljoen. De omvang ervan is als een supertanker die zijn eigen weg gaat. Hier bovenop komt de economische crisis, die een einde maakt aan de ogenschijnlijk onbegrensde mogelijkheden. De wereld staat als het ware weer met twee benen op de grond. Laten we uit dit verleden beseffen dat kennis gekoesterd moet worden en continu√Įteit de basis vormt. En misschien is het verstandig de publicaties uit het recente verleden (1975-2000) opnieuw toegankelijk te maken.

Print dit artikel Print dit artikel

Categorie: Renovatie en onderhoud| Reacties uitgeschakeld voor Achterstand van de renovatiepraktijk door kenniskrimp

Je kunt niet meer reageren!