Bestaande Woning Bouw






Blokverwarming in het verdomhoekje (1)

2 november, 2011 | door Dyon Noy

Diverse keren ‘sloeg de webmaster aan’ op het woordje ‘blokverwarming’ in eerdere berichten. De uitdrukking staat garant voor een hausse aan bezoekers. Soms heftige reacties. Een perfecte voedingsbodem voor Tros Radar. De beschuldigende vinger wijst naar blokverwarming uit de bouwperiode van 1960 tot 1980. Een collectief ketelhuis voor ruimteverwarming met radiatoren aan stijgstrangen. Keukengeisers of elektrische boilers voor het warme tapwater.

Ondoorzichtig

De kritiek richt zich trouwens zelden op de energiebron. Waar klaagt men wel over? Vijf knelpunten op een rij:

Aversie

Niet voor niets komen deze installaties in nieuwbouw van na 1980 niet meer voor. De aversie leidde ertoe dat de afgelopen drie decennia veel van dit type installaties geïndividualiseerd zijn. Iedere woning een eigen verwarmingsketel. Toch komen er nog steeds honderdduizenden woningen met een dergelijke installatie voor. Is er nog een toekomst voor dit type blokverwarming? Hoe komt blokverwarming uit de periode van 1960 tot 1980 uit het verdomhoekje? Goede suggesties zijn welkom.

Print dit artikel Print dit artikel

Categorie: Beheer, Duurzaamheid, Kosten| 3 Reacties »

3 Reacties op “Blokverwarming in het verdomhoekje (1)”

  1. Reactie door: Harm Valk 2 november, 2011 om 09:55

    De problemen met en de aversie tegen blokverwarming worden primair veroorzaakt door het distributiesysteem (strangen en bemetering). Dat is gelukkig aan het eind van de technische levensduur en moet vervangen worden.
    Potentieel is blokverwarming veel makkelijker te vergroenen doordat de keuze in duurzame opwekkers (in plaats van een gasketel) veel groter is (biomassa, wko, warmtenet). Dus: nu investeren in een nieuw, modern distributienet (afleverset per woning, elk apartement eigen ‘cv’) dan heb je bij iedere vervangingsingreep de komende 50 jaar de handen vrij om te kiezen voor de dan meest duurzame opwekker. Zo zijn praktische stappen naar energieneutraliteit te maken, met een geweldige stijging van het comfort voor de bewoners en een goede beheersbaarheid voor de corporatie.

    Ik zal zien hierover binnenkort een wat uitgebreidere bijdrage te plaatsen op de kennisbank.

  2. Reactie door: Frans Horst 2 november, 2011 om 10:50

    Inzake portiekwoningvoorraad
    In Ned. staat een forse voorraad portiekwoningen. Alleen al in Amst. circa 200.000 portiekwoningen;
    -doorgaans 8 eengezinswoningen gegroepeerd aan een gemeenschappelijk trappenhuis-; in bezit bij corporaties de zogenaamde primaire voorraad. Woningen met een klein woonoppervlak, hoge bezettingsgraad, met een lage huur en navenant geringe woonkwaliteit, doorgaans F/G-label geïndiceerd. Als afgeleide een kenmerkende doelgroep: m.n. Turkse-/Marokkaanse bewoners die vanuit hun doorgaans Islamitische achtergrond moeizaam achter de voordeur zijn te bereiken; een essentiële kostenpost in de beheerfase. Kenmerkend zijn ook de woonlasten die binnen enkele jaren zullen worden bepaald door de energiecomponent. Een voorbeeld uit mijn praktijkervaring: anno 2009 een gem. ‘huurlast’ van € 244,–/vhe en een ‘energielast’ ad € 188,-/vhe/maand. Met een gemiddelde stijging van de energielasten met 7 á 8 % /jaarlijks bedreigt dit fenomeen de verhuurbaarheid i.c. betaalbaarheid van dit woningtype

    Deze woningvoorraad heeft vaak per gebouw/complex een collectieve installatietechniek of per woning individuele (gedateerde?) c.v./w.w-voorzieningen. Voor zover er sprake is van collectieve installaties zijn veel corporaties bezig deze zo mogelijk te ‘verketelen’ naar individuele installaties. Anders gezegd; de woningen worden geïsoleerd, voorzien van mechanische afzuiging (het perforeren van de Trias Energetica!) en er wordt een individuele HR-ketel geplaatst. Een goed voorbeeld van het oogsten van dergelijk laaghangend fruit is de verketeling van Holendrecht.

    De vraag kan gesteld worden of een dergelijk aanpak recht doet aan de gewenste ambities op het gebied van milieu/energie, de woonkostencomponent daadwerkelijk te kunnen sturen, ‘energetische toekomstbestendigheid’; regelgeving sturend op afgedwongen passief huisnormeringen die gaandeweg de corporatie zullen belagen. Een Rijksoverheid die stuurt op opwekking, daar waar het gebruik zich manifesteert. Men kan zich afvragen of één HR-ketel per redelijk/goed geïsoleerde portiekwoning nog wenselijk is, daar waar één ketel per trappenhuis met de optie buiten de woning bereikbaar te zijn, het toekomstbeeld is waar men op moet sturen. Dan ook geen zorgen meer met toegankelijkheid, de kenmerkende kostenpost binnen het dagelijks onderhoud, de mogelijkheid van monitoring op afstand, aanzienlijke kostenbeheersing op installaties, alleen dan de mogelijkheid een pasief huis kwaliteit ‘op trappenhuisniveau’ binnen handbereik te krijgen. Anders gezegd; beschouw een compleet trappenhuis als één ‘lokaal energienetwerk’

    CONCLUSIE
    Er zal meer onderzoek moeten worden uitgevoerd naar de bedrijfseconomische en energetische context // de voor- en nadelen en mogelijkheden om voor gestapelde bouw tot een clustering te komen van installatietechnische gebouwonderdelen (vertaalslag ambities Rijksoverheid // Min. van EZ: noodzaak decentrale opwekking; bovengenoemde format is een vertaalslag van de zogenaamde ‘digitale centrale’). Daarbij ook een koppeling van de ventilatieafvoer op het energienetwerk. In dergelijke woningen is ‘geen’ c.v.-warmtevraag, maar gaat het om de koppeling van warmteafvoer via ventilatie versus koppeling douchevermogen. Op dit moment m.i. een markt die de boot afhoud: in iedere woning een HR-ketel is natuurlijk lucratiever!

    BIJLAGE

    Een wake up voor de bestaande voorraad portiekwoningen “denken op trappenhuisniveau”

    Als portieketageflats volgens het principe van Trias Energetica worden aangepakt, is het in iedere woning ophangen van een HR-ketel onzin. Per portiekwoning een soort van ‘passiefhuis energetische kwaliteit te realiseren’, is technisch/financieel niet haalbaar. Echter ‘op trappenhuisniveau’ kan dat wel; dan de kans om volgens principes van de Trias Energetica oplossingen te zoeken voor de samenhangende aspecten:
    • minimaal vermogen benodigd voor verwarming (door treffen isolatievoorzieningen in/aan de gevels)
    • pieklast vermogen betreft het douchen = zomer en winter een dagelijkse pieklast!!
    • het energieverlies door de ventilatieafvoer (= zomer en winter sec afvoer van alle warmte) te kunnen hergebruiken, bijv. door koppeling ventilatieafvoer op productie warm tapwater >> borgt voldoende energieopwekking per trappenhuis
    • mogelijk tbv restwarmte of productie electriek een collectieve zonneboiler en/of zonnepaneel toegevoegd
    • optie energieopslag via Thermochemische opslag of gesloten WKO’s per trappenhuis
    • denkbare optie om ‘zonder’ fossiele brandstoffen de energievraag op trappenhuisniveau te modelleren! En daarbij warmtepomptechnologie die als ketel geplaatst op de ventilatieafvoer in staat te zijn warm tapwater van > 60 graden te produceren
    • op trappenhuisniveau is het denkbaar de nutsmeters te beperken per trappenhuis. Dan een aanzienlijke woonlastenreductie door forse besparingen op meten, incasso en abonnements- /vastrechtkosten. De doelgroep meekrijgen betekent denken/communiceren in euro’s!
    • optie decentrale opstelling in het souterrain of bijv. door de 2 bovenste woningen samen te voegen, in het resterende halve trapportaal een decentrale installatieruimte nieuw leven inblazen door een plug & play-container, waarin de ventilatie-, de verwarming en het warmtapwatersysteem semi collectief is ingebouwd.
    • borging kwaliteit door via fabricage gecertificeerde installatieunits te plaatsen. Een compleet in de fabriek samengestelde container op of in het dak of, gesteld dat de bovenste twee portiekwoningen worden samengevoegd, in de vrijkomende trappenhuisruimte
    • optie ingebouwd gebouwbeheersysteem: e.e.a. zorgt voor een optimale verdeling en bewaking van storingen/rendementsverlies etc.
    • concept per portiek uitvoerbaar, portieken moeten overgeslagen kunnen worden ingeval van ‘dwarsliggers’
    • op trappenhuisniveau renoveren betreft een zogenaamde “Bouwkundige eenheid < 10 woningen”. Daarvoor is juridisch gezien geen noodzaak voor een 70% acceptatiegraad
    • uitgangspunt is complete nieuwe installatie voor laagtemperatuur verwarming
    • aanvullende wens is om aan te kunnen sluiten op bestaande hoog of midden gestookte installaties (kostenreductie door handhaven bestaande radiatoren)
    • betreft complexmatige energiebesparende maatregelen met gelijkblijvend c.q. verbeterd comfort (dus op geheel bekeken en niet op individu)
    • focus m.n. ook gericht op beperken beheerskosten en benodigd onderhoud, m.n. ook omdat woningen niet meer individueel toegankelijk moeten zijn
    • bruikbare (voor huurder) installatie (vooral regeltechnisch en gebruikersvriendelijk)
    • gevels zullen geïsoleerd worden (bouwkundig) en dus kierdichtheid verbeterd in verband met benodigde labelstappen
    • kostenbesparing op basis van maandelijkse lastenbesparing
    • wellicht geen gas in portiek nodig, geen vastrecht → advies elektrisch koken (groene stroom geeft gelijk CO2 neutrale woningen!
    Memo F. Horst e-mail: info@horstadvies.nl
    Okt. 2010

  3. Reactie door: louis Hiddes 2 november, 2011 om 12:29

    Beste Dyon,

    nu is de keuze die je mogelijk wenst te maken – niet die alleen van blokverwarming, ja of nee want blokverwarming alleen vervangen voor iets anders aan de opwekkingskant is niet de oplossing.
    de eerste vraag is wat wil je doen aan uitgavekant van je huurders – inkomenspolitiek, zoals in de jaren zeventig gedaan werd in de stadsvernieuwing in Rotterdam.
    dus bij de afweging gaat het eerst om besparen en de bouwenergetische maatregelen op gebouwniveau – en wat met het aangepaste woningwaarderingstelsel met een huurverhoging is te verantwoorden.
    dan blijft er een resultante aan warmtevraag over – daarbij kies je het meest geëigende energieconcept.
    daarbij kijk je niet alleen naar het technische concept maar ook naar de energie-exploitatie.
    welk aandeel van energielasten is energie inkoop, onderhoudskosten, afschrijvingsperioden op onderdelen of geheel, wat zijn de consequenties van energiebelasting en warmtewet etc.
    als je alles goed in beeld heb kan je een goede afweging maken – zeker weten dat je gelukkige huurders hebt en als corporatie wordt je er ook niet slechter van.