Bestaande Woning Bouw






Canon der sociale woningbouw

11 september, 2007 | door Dyon Noy

De canon als een nieuwe hype? De afgelopen periode struikelden de canons over elkaar heen. Zo is daar de ‘canon van Nederland’ met 50 hoogtepunten uit de nationale geschiedenis. Binnenkort verplichte lesstof in het primair en middelbare onderwijs. Of wat te denken van de ‘canon van het schaatsen’. Van de uitvinding van de Friese doorloper tot aan de overwinningen van Ard Schenk.

Meidoornstraat Utrecht

Wat is nu een canon? De Dikke van Dale geeft antwoord: ‘een verzameling belangrijke personen, teksten, projecten, verschijnselen en processen die samen laten zien hoe een bepaald aspect zich ontwikkeld heeft tot de huidige toestand: het referentiepunt’. Ofwel een chronologisch geschakelde kralenketting, die als anker fungeert. En blijkbaar heeft onze huidige dynamische samenleving grote behoefte aan dit soort vastigheden. Hoe zit dat nu met de sociale woningbouw? Bij welke vragen biedt een canon meer houvast? Enkele voorbeelden. Waarom hebben we zoveel moeite om aan Brussel de onmisbaarheid van de sociale huursector voor de Nederlandse samenleving over te brengen? Staan we aan het begin van de 21e eeuw ver af van de oorspronkelijke doelen van een eeuw geleden? Hoe duidelijk te maken aan de wassende groep van aankloppende belanghouders dat een corporatie iets anders en meer is dan een geldautomaat?

Roots sociale woningbouw

Hoe breng je de ‘roots’ van de sociale sector over op nieuw corporatiepersoneel? Sinds de brutering verschuiven doelstellingen en wijzigt het krachtenveld in hoog tempo. Heldere ijkpunten dienen verleden en heden met de toekomst te verbinden. Een risicovolle trendbreuk mag niet voorkomen. Veel argumenten pleiten dus voor de canon van de sociale woningbouw! Om de discussie te openen een suggestie voor enkele kralen aan die ketting. Natuurlijk vormen de erbarmelijke woonomstandigheden van de 19e eeuw plus de woningwet van 1901 de start. Al snel doemen juweeltjes als de vooroorlogse tuinsteden zoals Vreewijk in Rotterdam en het Amsterdam-Zuid van Berlage op.

Wilhelminastraat Uden

De naoorlogse wederopbouwwijken zoals Pendrecht in Rotterdam of Kanaleneiland in Utrecht vormen topprestaties: destijds een heldere visie op samenlevingsopbouw en een forse bijdrage aan de terugdringing van de woningnood. Hoort een markante stadsvernieuwer als Jan Schaefer thuis in het canon? Zijn credo ‘in geouwehoer kun je niet wonen’ heeft 30 jaar na dato niets aan zeggenschap verloren. Wat te denken van de bruteringsoperatie en het BBSH? Of de hedendaagse herstructureringsopgave van de naoorlogse wijken? Het canon der sociale woningbouw als anker. Voer de discussie!

Om de discussie te openen een suggestie voor de eerste tien kralen aan de ketting:

1 De woningwet van 1901

Deze wet reageert op de erbarmelijke woonomstandigheden van de 19e eeuw. De wet geeft onder meer minimum kwaliteitseisen voor woonruimte, legt de basis voor het welstandstoezicht, geeft richting aan de ruimtelijke ordening en fungeert als basis voor de woningcorporaties.

2 De woningcorporaties

Sinds de woningwet van 1901 zijn duizenden woningbouwverenigingen opgericht met als doel om sociale huurwoningen voor de leden te realiseren. De sociale voorraad bedraagt inmiddels 2,4 miljoen woningen. Corporaties transformeerden van kleinschalige verenigingen met roots binnen een van de zuilen naar zelfstandige ondernemingen met een publieke doelstelling. Sint Joseph of Eigen Haard werden Hét Woningbedrijf of Habitare. Er bestaan er nog ongeveer 500.

3 De vooroorlogse tuinsteden

Denk aan het Rotterdamse Vreewijk, het Amsterdamse Tuindorp Oostzaan of het Utrechtse Zuilen. Ideaalbeelden van de samenlevingsopbouw en gezond wonen staan hierin centraal.

4 De naoorlogse uitbreidingswijken

Denk aan Pendrecht in Rotterdam, Osdorp in Amsterdam of Kanaleneiland in Utrecht. De principes van het CIAM –licht en lucht- zijn gehanteerd middels strokenverkaveling. De wijkgedachte vereiste een gevarieerde bevolkingsopbouw, zodat allerlei woningtypes gerealiseerd zijn.

5 De systeembouwwoningen uit de periode 1950 tot 1975

Denk aan bijvoorbeeld Intervam, Airy, Wilma, BMB of Neduco. Vanwege de naoorlogse woningnood moest de bouwproductie enorm omhoog. Van enkele tienduizenden per jaar tot maar liefst ongeveer honderdvijftigduizend rond 1970. Door standaardisatie en prefabricage ging het tempo omhoog. Met licenties voor hun bouwsysteem konden bedrijven grote aantallen realiseren. De industrialisatie van het bouwproces kreeg hiermee een enorme kwaliteitsimpuls.

6 Jan Schaefer (1940-1994)

Schaefer is een van de weinige iconen van de sociale woningbouw. Deze voormalige banketbakker gaat als actievoerder de politiek in. Hij strijdt voor het behoud van de oude wijken, huisvesting voor jongeren en voor andere huishoudtypen dan traditionele gezinnen. Zijn slogan ‘in geouwehoer kun je niet wonen’ is tot op de dag van vandaag populair onder de pragmatici in de volkshuisvesting!

7 Renovatie

Tot diep in de jaren zeventig van de vorige eeuw gaan woningen en wijken zonder veel overleg plat als ze gedateerd zijn of als er een andere bestemming voor gevonden wordt. Vanaf ongeveer 1980 ontwikkelen gemeenten en corporaties processen, technieken en projectstructuren om de oude buurten in nauw overleg met de bewoners nieuw leven in te blazen.

8 Brutering en BBSH

Woningcorporaties hebben bijna honderd jaar na de invoering van de woningwet nauwe en complexe banden met de rijksoverheid. De exploitatiekosten, de huren, de bouwbudgetten en de afmetingen van de woningen zijn tot op respectievelijk de cent en de vierkante meter door het ministerie van volkshuisvesting voorgeschreven. Vanuit de behoefte aan meer autonomie en lokale inkleuring start de bruteringsoperatie. Schulden aan de staat vallen weg tegen subsidies en het Besluit Beheer Sociale Huursector geeft vanaf de jaren negentig van de vorige eeuw de kaders op hoofdlijnen voor corporaties.

9 Herstructurering en leefbaarheid

De grootschalige naoorlogse uitbreidingswijken raken vanaf de jaren tachtig van de vorige eeuw in verval. Hogere inkomens en gezinnen verstrekken en de sociale problemen nemen hand over hand toe. De wijken krijgen het negatieve etiket ‘afvoerputjes’ van de woningmarkt opgeplakt. Woningcorporaties bezitten veel vastgoed in deze gebieden en staan voor de grote uitdaging om de wijken een nieuw leven in te blazen: de herstructurering. Aanpassing van het woningbezit, de eigendomssituatie, maatregelen gericht op veiligheid en leefbaarheid en welzijnsvoorzieningen.

10 Het poldermodel

De sociale huursector is oorspronkelijk door en voor mensen die op de reguliere woningmarkt geen goed onderdak konden vinden ingericht. Na een eeuw vindt de sturing niet meer plaats door de doelgroep, maar door professionals. De sociale sector kent tot op de dag van vandaag een uitgebreid pakket aan geschreven en ongeschreven regels om de stem van die doelgroep door te laten klinken. De ledenvergadering bestaat niet meer. Wel governance richtlijnen, overleg met belanghouders, de ‘voorkeurszetel’ in de Raad van Commissarissen, het klanttevredenheidsonderzoek of de klantenpanels.

Print dit artikel Print dit artikel

Categorie: Beheer, Proces, Voorraad| Reacties uitgeschakeld voor Canon der sociale woningbouw

Je kunt niet meer reageren!