Bestaande Woning Bouw






de grenzen van de galerijflat

13 augustus, 2009 | door Martin Liebregts

De massale opkomst van de galerijflat dateert uit de tweede helft van de jaren zestig van de vorige eeuw als de centrale verwarming massaal haar intrede doet en de lift ook in de sociale woningbouw gemeengoed wordt. De technieken, gebruikt in de grote bouwstromen van na de oorlog, zijn geschikt voor de galerijwoningen. Tot 1960 werd de galerijflat vooral in de duurdere woningbouwsector gerealiseerd. Voorzover het gebouwtype wel in de sociale woningbouw tot stand kwam, betrof het veelal vier woonlagen op een bergingsvoet.

Wat alle galerijflats van de jaren zestig, zeventig en tachtig met elkaar gemeen hebben, is dat hoogwaardige, ruime plattegronden zijn gecombineerd met zeer sobere architectuur en met gemeenschappelijke ruimten van beperkte kwaliteit. Tevens is de schaal vaak groot. Honderd woningen op één entree is niets bijzonders. Denigrerend wordt het wel aangeduid met gestapelde strengperswoningen.
Het zijn deze flats, die in de afgelopen en komende jaren vanwege onderhoud aangepakt worden. De vraag is, wat er mee moet gebeuren om de toekomstwaarde van deze flats te vergroten.
Sinds medio jaren tachtig zijn er uiteenlopende deeloplossingen ingezet om de flatgebouwen weer een kwaliteitsimpuls te geven. De toegepaste oplossingen hebben nogal een eendimensionale benadering gehad: of onderhoud, of energie, of toegankelijkheid, of uitstraling. Aan de schaal van de gebouwen en de uitstraling die daarbij komt, is niets gedaan. Erger nog, de schaal is soms zelfs nog vergroot.
In dit artikel kijken we terug en vooruit en pogen een nieuw perspectief te formuleren, waarvan de houdbaarheidsdatum verder reikt dan vijftien tot twintig jaar.

 

Aanpassingen in de tijd

In de periode 1985 tot en met 2000 zijn er uiteenlopende oplossingen in de praktijk ingezet om de galerijflats een meer bij de tijdse kwaliteit te geven. Globaal gaat het om de volgende maatregelen in hoofdlijnen:
1. Vliesgevel ter plaatse van galerijen en balkons (serres). Deze maatregel hield verband met de aanwezige koudebruggen. Door er een nieuwe gevel voor te zetten, werd dit probleem teniet gedaan.
2. Om de woningen meer geschikt voor senioren te maken, was het nodig de toegankelijkheid te vergroten. Ophogen van galerijen en balkons pasten in deze benadering. De combinatie met de vliesgevels maakte het gemakkelijker uitvoerbaar.
3. Bijplaatsing van liften. Ingeval er geen lift aanwezig was, was dit noodzakelijk. Als er al een lift aanwezig was, bood dit de kans om er een brancardlift bij te plaatsen (die ook rolstoelgeschikt was).
4. Compartimenteren van de bergingen. Vijftig tot honderd bergingen, ontsloten via één deur en één gang, versterken de sociale controle niet. Eén van de oplossingen was de bergingen te compartimenteren per galerij, zodat de bewoners elkaar minimaal konden kennen.
5. Luxere en grotere entree. Als een entree voor zoveel bewoners en bezoekers de toegang vormt, behoort hierbij ook een bepaalde uitstraling.
6. Aanpassing plattegrond. De woningen moesten niet alleen bezoekbaar zijn, maar ook levensloopbestendig. Hiervoor werd de plattegrond aangepast.
7. Balkonvergroting. De laatste functionele aanpassing richtte zich op de grootte van de balkons. Ook de balkons moesten geschikt zijn voor rolstoelgebruikers. En wilde de woning toekomstwaarde hebben, dan moest het bruikbare buitenruimte zijn. Een ruimte waar vier personen prettig zouden kunnen vertoeven.
8. Optoppen. De galerijflats worden, ingeval er een nieuwe lift geplaatst wordt en indien het stedenbouwkundig toelaatbaar is, voorzien van een extra woonlaag (penthouses). Dit gebeurt alleen bij die gebouwen, die van zichzelf al toekomstwaarde hebben.
9. Galerijverbreding. Aan de galerijen worden steeds meer eisen gesteld als verkeers- en verblijfsruimte. Verbreding is dan gewenst.

De bovengenoemde functionele aanpassingen gingen gepaard met technische, energetische en onderhoudstechnische maatregelen. Soms werden met combinaties van genoemde maatregelen de woningen getransformeerd tot seniorenwoningen. Het comfort ten aanzien van verwarming en ventilatie werd structureel verbeterd en de energetische kwaliteit bereikte het niveau van label B.
Technisch allemaal in orde, maar toch ontbreekt er iets structureels.

Sloop, aftoppen of transformeren

Zeker in gebieden met krimp, zoals de oostelijke mijnstreek, zijn het hoogbouwgalerijflats die het eerste onder de slopershamer vallen. Ooit de flat met het wooncomfort voor de middengroepen, nu de minst gewilde woningen op de wo-ningmarkt. Het gaat dan vooral om de grootschalige flatgebouwen met honderd woningen of meer. Ook in andere woningmarkten is het dit woongebouwtype die vanwege de grootschaligheid en de onbeheersbaarheid het eerste in de problemen komt, ondanks de goede plattegrond. Gaat het bij de portiekwoningen om tekortkomingen ten aanzien van de woninggrootte en plattegrond, bij de galerijflats betreft het de schaal.
Tot nu toe zijn hierop twee antwoorden bedacht: sloop of aftoppen. Al vanaf 1990 zijn galerijflats vanwege de onbeheersbaarheid gesloopt. Meest in het oog springende voorbeeld is de Bijlmer. In enkele gevallen is er besloten om het slopen om te zetten in aftoppen. In Maassluis zijn zo van galerijflats dertiger jaren woningen gemaakt.
De bovengenoemde oplossingen zijn nogal rigoureus. Het zoeken is naar die antwoorden, die meer gebruik maken van de aanwezige eigenschappen. Wel verdient de uitstraling of architectonische kwaliteit van de galerijflat aandacht. In het verleden zijn de meeste galerijflats slechts met een eenvoudige vormgegeven gevel uitgerust. Aan de galerijzijde ontbreekt vaak elke vormgeving. Het zijn slechts functionele verbindingsstukken, die armoedig ogen. Vooral de galerijflats uit de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw.

Verschalen, ook qua vorm

Het woord ‚Äėverschalen‚Äô is geen gangbaar begrip. In dit verband wordt ermee bedoeld dat de schaal van het woongebouwtype ‚Äėgalerijflats‚Äô een andere, kleinere schaal moet krijgen. De massaliteit uit het verleden, toen het standaardhuishouden nog bestond uit vader, moeder en twee kinderen, bestaat niet meer en is voorgoed verleden tijd.
De opgave is er in gelegen om naast allerlei al benoemde functionele verbeteringen de schaal van de gebouwen, zowel qua gebruik en beheer als qua vorm, weer hanteerbaar te maken.
Een tiental jaren geleden werd ik in de praktijk belast met het maken van een plan voor een dergelijk groot gebouw. Tien woonlagen op een dubbele bergingsvoet en tien woningen op een rij. In totaal ging het om honderd woningen. De massaliteit was ongrijpbaar, zeker in het licht van de omringende eengezinsrijtjeswoningen. Op dat moment werd overduidelijk dat de schaal van dergelijke gebouwen op alle niveaus (stedenbouwkundig, architectonisch, wonen) groot is. Ofschoon de plattegrond het summum is van functionele en volkshuisvestelijke studies uit het verleden, is het totaal als opbouw ‚Äėniets‚Äô.

Het zoeken naar een fijnere schaal zal plaats moeten vinden ten aanzien van drie aspecten:
–¬†De massa, resp. het gebouw. De eenheid van een gebouw zal meer in overeenstemming gebracht moeten worden met de omgeving;
–¬†De architectuur. Een gebouw is geen optelsom van vijftig of honderd wooneenheden. Het totaal behoort vormgegeven en geleed te zijn. Het gebouw als totaal moet leesbaar zijn;
–¬†Het gebruik en beheer. Door de grote omvang zijn dergelijke gebouwen bijna onbeheersbaar. E√©n individu kan het woongenot van honderd anonieme huishoudens verstoren. Ook voor dit sociaal-maatschappelijk vraagstuk zal er bij de ontwikkeling van een toekomstvisie meer oog moeten zijn.
Het renoveren van een galerijflat is meer dan vijftig of honderd individuele woningen opknappen. Het behelst ook het (opnieuw) inpassen van een woongebouw in de omgeving.

Gedifferentieerde toekomst

De afgelopen decennia is er te kortzichtig omgegaan met de voorraad galerijwoningen. Oneliners hebben de aanpak gedomineerd. Of het nu om onderhoud, energie, senioren of differentiatie op woningniveau ging. Bijna nooit wordt het gebouw, met zijn stedenbouwkundige context, als architectonisch geheel beschouwd. Dit vraagt vooraf meer studie dan het benoemen van doelgroepen in relatie tot het strategisch voorraadbeleid. Als men geen oog heeft voor het eigene en zijn ligging, worden er kansen gemist en verkeerde investeringen gedaan. Bijvoorbeeld de entree krijgt alle aandacht, terwijl het probleem de omgeving, resp. situering is. Dan krijgt men een mooie entree op de verkeerde plaats.
Hier wordt dan ook gepleit om, alvorens tot de aanpak van een galerijflat te komen, een programmastudie te verrichten. In deze studie verdienen alle schaalniveaus van het aanbod (stedenbouw, architectuur, plattegrond en bouwtechniek) aandacht, in relatie tot de vraag en de locatie. Misschien leidt dit dan eindelijk tot een meer gedifferentieerde toekomst voor dit gebouwtype.

Bronnen:
(1) De eerste galerijwoning dateert uit 1888, Diergaardesingel te Rotterdam. Spangen Рhet opengewerkte bouwblok van Brinkman Рdateert uit 1922 en ontsluit maisonnettes met een galerij. Echter de eerste echte galerijflat met negen la-gen van Van Tijen, Brinkman en Van der Vlugt, de Bergpolderflat te Rotterdam, dateert van 1933
Zie ook ‚ÄėHuis, tuin en keuken, wonen in woorden door de eeuwen heen‚Äô, M.J. Hoekstra, Amsterdam, 2009
(2)¬†‚ÄėAftoppen van flats is haalbaar alternatief‚Äô, Haico van Nunen, BouwhulpGroep, Bouwwereld nr. 19, 8 oktober 2001
(3)¬†‚ÄėFlexibel renoveren‚Äô, J. Stammers, Gebouwbeheer nr. 3, maart 1999

Print dit artikel Print dit artikel

Categorie: Proces, Stedenbouw en architectuur, Voorraad| 1 Reactie »

Een reactie op “de grenzen van de galerijflat”

  1. Reactie door: J.F. Rijs 19 juli, 2012 om 12:42

    Door de woningmarkt is er een situatie van individualisme ontstaan. Elke wooneenheid/flat heeft nu een eigenaar gekregen. Omdat onderhoud voor woningcorporaties uit de hand dreigde te lopen en zo de verhuur opbrengst niet rendabel meer was, heeft men met open ogen de flats apart verkocht. Hierdoor is de last bij de enkeling verenigd in een verplichte VvE komen te liggen en heeft de woningcorporatie het onderhoud overgedaan. Of dit allemaal netjes is, dat heeft toch zijn vraagtekens. Door ondeskundigheid van de kopers, is het verkoopsucces van de woningcorporaties (als project ontwikkelaar)verzekerd…..