Bestaande Woning Bouw






grootste energiesprong ligt bij de particuliere woningbouw

16 juni, 2011 | door Martin Liebregts

serie over de zeventiger en tachtiger jaren (2)

De dominantie van de eengezinswoning in bezit van de eigenaar-bewoner

De eigenaar-bewoner wordt een steeds belangrijker fenomeen op de Nederlandse woningmarkt. Het gaat in de richting van 60 procent. En dan komt erbij dat een overgroot deel van dit bezit grondgebonden eengezinswoningen zijn (ca. 80 procent). In totaal gaat het dus om de helft van de bestaande woningvoorraad: grondgebonden eengezinswoningen in bezit van een eigenaar-bewoner. Hier liggen je kansen, omdat kosten en baten bij dezelfde persoon liggen.

De aanleiding voor deze gedachte was de recente analyse van de woningen uit de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw en de kwaliteit. En dan zie je het dominante deel van de eengezinswoning, in bezit van eigenaar-bewoners, die energetisch veel potentieel heeft.

Normen uit het verleden

Het voorbeeld van de woningen uit de jaren zeventig en tachtig is vooral interessant, omdat het hier om een substantieel deel eigen woningbezit gaat, een periode vertegenwoordigt dat de eisen ten aanzien van de energetische kwaliteit geleidelijk op de agenda kwamen te staan en dat het met een gemiddelde leeftijd van ruim veertig jaar een structurele kwaliteitsaanpassing geleidelijk in aanmerking komt.

De isolatievoorzieningen van de woningen weerspiegelen de tijd. De woningen van begin jaren zeventig bezitten een beperkt aantal isolatievoorzieningen (tussen de 13 en 63 procent, afhankelijk van het bouwdeel), terwijl de woningen uit eind jaren tachtig bijna volledig ge√Įsoleerd zijn. Verder is het van belang op te merken, dat de woningen uit de jaren zeventig gemiddeld ruim 15 procent groter zijn dan die uit de jaren tachtig. Dus de grootste woningen zijn in verhouding het minst ge√Įsoleerd. In het licht van de huidige eisen zijn alle woningen uit de genoemde periode beperkt ge√Įsoleerd. Zo bezit van al deze woningen ca. een derde geen dubbelglas op de slaapverdieping.
Een substanti√ęle verbetering van dit deel van de voorraad is daarom zeer gewenst. De verbetering vereist
deels maatwerk, omdat in de afgelopen veertig jaar allerlei onderdelen van de woningen op verschillende wijzen zijn aangepakt (3).

De kracht van aanbod

Het zal duidelijk zijn dat de betreffende woningen aan de ene kant een grote gelijkenis hebben (gemetselde gevels, hellend pannendak, kozijnopeningen) en aan de andere kant door de geschiedenis van gebruik, beheer en de details in het ontwerp hun verschillen kennen. De traditionele, complexgerichte aanpak, die in de sociale huursector gangbaar was en is, is bij deze grote diversiteit niet gewenst. Een complexgewijze aanpak is hierbij niet mogelijk. Het aanbod in de toekomst zal dan ook niet woninggericht, maar componentgericht moeten zijn: o.a. dak, gevel, installaties, intern (keuken, badkamer en toilet). Zeker in de particuliere sector zal niet de woning als totaal ineens aangepakt worden. Allerlei variabelen bepalen het moment: de gebruiksintensiteit, de locatie (weer en wind), de doelgroep en de leefstijl, de beschikbare middelen etc.
De kracht van het ‚Äėnieuwe‚Äô aanbod moet erin gelegen zijn om op deze diversiteit een passend aanbod te leveren. Dat wil zeggen, een goede kosten-kwaliteitsverhouding, ruimte voor maatwerk, individuele keuzen en beperking van overlast.

De markt voor de toekomst

In de nabije toekomst is de markt ‚Äôde individuele woning‚Äô. Zeker als het gaat om de 70 procent grondgebonden woningen in Nederland. Hiervoor is alleen de ‚ÄėSerie van √©√©n‚Äô het ‚Äėpassende‚Äô antwoord, mede gezien de dominantie van de eigenaar-bewoners. Het wordt tijd dat de opgave begrepen en het passend aanbod gerealiseerd wordt en de particuliere markt vergaand geprofessionaliseerd gaat worden. De sociale huursector neemt op termijn verder af, wat betekent dat wil men een substanti√ęle rol spelen op de markt van de bestaande woningbouw, er iets moet gebeuren voor de particuliere sector. Juist het groot aantal woningen dat gebouwd is in de periode 1970-1990, waarvan een belangrijk deel in bezit is van eigenaar-bewoners, vormt de uitdaging voor de komende tien jaar.

Bronnen

(1) De gegevens over de woningen uit de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw, in bezit van eigenaar-bewoners, zijn ontleend aan een onderzoek van de BouwhulpGroep in het voorjaar van 2011. Van 135 aselect gekozen woningen uit deze periode zijn gedetailleerde gegevens verzameld.
(2) De veranderende isolatie-eisen in de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw. Rc-waarden (m2K/W):

1973

1988

Vloer

0,17

1,30

Dak

0,68

2,00

Gevel

0,43

2,00

Glas

0,17

0,33

woonvertrek

0,17

overig

(3) In de periode 1970-1989 zijn er 2,36 miljoen woningen gebouwd, waarvan 1 miljoen voor de sociale huursector. Een globale schatting is dat er ruim 800 duizend eengezinswoningen uit deze periode zijn, in handen van de eigenaar-bewoner. De volgende eigenschappen bezitten ze (gemiddeld):
–¬†Gemiddelde inhoud¬†:¬†~360 m3
–¬†Perceelgrootte¬†:¬†180 m2
–¬†Dakisolatie¬†:¬†~85%
–¬†Muurisolatie¬†:¬†~70%
–¬†Vloerisolatie¬†:¬†~55%
–¬†Glasisolatie woonverdieping¬†:¬†~100%
–¬†Glasisolatie slaapverdieping¬†:¬†~65%
–¬†Hellende daken¬†:¬†ruim 90% (met ca. 45‚Āį-helling)
–¬†Gemiddelde leeftijd cv-ketel¬†:¬†11 jaar
–¬†Gemiddeld energiegebruik t.b.v. verwarming¬†:¬†1.500 m3, label D.

Print dit artikel Print dit artikel

Categorie: de jaren zeventig en tachtig, Renovatie en onderhoud, Voorraad, Wonen| 1 Reactie »

Een reactie op “grootste energiesprong ligt bij de particuliere woningbouw”

  1. Reactie door: Menno Hartsema 13 juli, 2011 om 11:04

    In de gemeente Groningen hebben wij ook onderzoek gedaan naar de energielabels en het verschil tussen de particuliere voorraad en de sociale woning voorraad. Helaas wilde bijna geen enkele particulier mee werken met het onderzoek naar de labeling. Zelfs niet met een gratis energielabel. Je ziet ook dat de verplichting van het label bij verkoop erg stroef loopt. Consumenten zijn pas ge√Įnteresseerd in energiebesparing indien zich een natuurlijk moment voordoet. Men wil verbouwen, uitbreiden of een apparaat is aan vervanging toe. Hierdoor gaat het tempo langzaam en zijn collectieve aanpak lastig van de grond te krijgen.
    Mogelijk kunnen consumenten worden geholpen met een tool waarbij hen helder en begrijpelijk de voordelen worden getoond en men wordt geholpen bij het uitwerken en uitvoeren. Zonder verweven belangen zoals b.v. de Nuon met zijn isolatieservice.

Plaats een reactie