Bestaande Woning Bouw






DUURZAAMHEID EN RUIMTELIJKE KWALITEIT (1)

11 mei, 2010 | door Martin Liebregts

Auteurs: Martin Liebregts en Sandra Arts

Voortdurend zijn we op zoek naar die kwaliteit in de gebouwde omgeving, die de tand des tijds doorstaat. Het is vaak niet het moment van de dag die de kritiek van de tijd doorstaat. Behagen voor vandaag leidt vaak naar vergankelijkheid voor morgen. Tijdens de vakantie bezoeken we vaak oude steden en dorpen om te proeven hoe cultuur, kwaliteit en tijd samen tot een doorleefde belevingswaarde zijn gekomen. We slenteren er rond en voelen ons – als het niet te druk is – prettig.
Als het om de gebouwde omgeving gaat, is het toch ook vaak de eerste impressie. Voel je je er prettig. Als je jaren later met meer ervaring terugkomt, kun je het eindelijk ook verklaren. Daarom vormen drie projecten, die ik al bijna dertig jaar ken, de leidraad om iets te zeggen over duurzaamheid en ruimtelijke kwaliteit. Het zijn drie wijken in Eindhoven: De Bazelbuurt, het Witte Dorp en ’t Ven. Ze vertegenwoordigen drie perioden van het bouwen (1920, 1935 en 1950). En nog steeds beschouw ik deze buurten als van een hoge kwaliteit. De tijd heeft er alleen toe geleid dat ik steeds beter ben gaan begrijpen waarom hier sprake is van een DUURZAME, RUIMTELIJKE KWALITEIT.
Vaak moet je door je oogharen heen zien wat de oorspronkelijke kwaliteit was. De tand des tijds maakt veel slachtoffers.


Ruimtelijke kwaliteit benoemen

Al heel de menselijke beschaving heeft ruimtelijke kwaliteit een rol gespeeld. Nooit is dit een autonome grootheid geweest, maar is altijd verbonden met andere kwaliteiten. Zo is volgens Vitruvius kwaliteit een samenspel tussen utilitas (functionaliteit), firmitas (degelijkheid) en venustas (schoonheid) 2 3. Het is dat gegeven dat ruimtelijke kwaliteit geen optelsom is van variabelen, ofwel iets moet mooi, nuttig en degelijk zijn. Simpeler kan het niet gezegd worden. Dan is er sprake van duurzaamheid.
Het gevaar van analyse is dat de samenhang verdwijnt. Door het hanteren van referentiebeelden wordt minimaal de samenhang verbeeld.
Als we dan de referenties op ons netvlies hebben, dan kunnen we in zijn algemeenheid het volgende constateren:

Zij vormen tezamen de bril om de werkelijke ruimtelijke kwaliteit te ontdekken en te benoemen.

Duurzaamheid en toekomstwaarde

De genoemde buurten zijn zestig, vijfenzeventig en negentig jaar oud. En de uiteindelijke levensduur ervan zal de honderdtwintig jaar dik overschrijden. Alle drie de buurten zijn gebouwd met een visie, waarin de kwaliteit van het totaal de boventoon voerde. Niet de woning, niet het blok, maar de straat en de totale buitenruimte bepalen er de kwaliteit. Vervolgens is deze samenhang weer tot in elk detail vormgegeven. Het detail weerspiegelt het totaal en omgekeerd. Duurzaamheid betekent de lange termijn. In dat geval zijn deze buurten er een illustratie van.
Duurzaamheid is dan ook geen rekensommetje, dat probeert met de rekenmethode van nu en de bijbehorende punten het rendement voor over vijftig tot honderd jaar te bepalen. Het levensduurdenken is meer dan rekenen achter de komma. Het vergt een visie waarbij verleden, heden en toekomst verbonden worden. De te beschouwen waarden zijn daarbij divers. Integraliteit krijgt dan pas zijn ware betekenis 4.

Van programma tot proces

Dromen is niet voldoende. Ambities vormen het begin van het proces. Het streven moet gedeeld worden en daar is draagvlak voor nodig om de gebouwde omgeving te behouden of te veranderen.
De basis van een zinvolle gedachtewisseling over de ruimtelijke kwaliteit begint bij beelden. Constant worden we omringd met beelden. De kunst is gelegen in het proberen te ontdekken of iets aanspreekt of niet en vervolgens het waarom. Aan het begin van het artikel is gewezen op de drie voorbeelden. Zij vormen dus referentiebeelden, die iets zeggen over ruimtelijke kwaliteit, en dat ook precies kunnen illustreren.
Om de ruimtelijke kwaliteit te typeren is er een vijftal thematische programmapunten ontwikkeld of opgesteld aan de hand van drie genoemde voorbeelden (zie kader). De positieve score ten aanzien van deze thema’s zorgen ervoor dat de positieve waardering van de ruimtelijke kwaliteit in de tijd gehandhaafd blijft of zelfs versterkt wordt. En dan gaat het niet om een optelsom of puntentelling. Maar veeleer om een profiel dat per locatie verschillend kan zijn. In een buitenwijk worden de punten anders gewaardeerd dan in een binnenstedelijk gebied. Juist de ontdekking van die identiteit, die mede bepaald wordt door het samenspel van de vijf programmapunten, vormt de basis voor de zoektocht naar duurzaamheid en ruimtelijke kwaliteit.
Wonen heeft een sterke culturele dimensie, die geworteld is in een land en regio. Ondanks alle globaliseringtendensen zoekt de mens bij het wonen naar zijn eigen plek (MY HOME IS MY CASTLE). In de stad is dit anders dan in een dorp. Hoe dichter de mensen op elkaar zitten, das te meer krijgt privacy van het wonen een accent.
De zoektocht is dus locatiegebonden, waarbinnen duurzaamheid en ruimtelijke kwaliteit een plaats krijgen. Het gaat dus om relatieve grootheden, die niet op te tellen zijn, maar in samenhang beschouwd moeten worden.
Wat je ook doet, het is van belang dat het proces dat leidt tot verbetering of herovering van de ruimtelijke kwaliteit aan drie essentiële voorwaarden voldoet:

Het beeld van duurzaamheid

Het beeld van duurzaamheid begint met een terugblik. De afgelopen honderd jaar is er onstuimig gebouwd. De woningvoorraad is van één naar zeven miljoen gestegen. Allerlei stedenbouwkundige en architectonische concepten zijn in praktijk gebracht. En al die concepten zijn ruim beproefd in de praktijk. Nu wordt het tijd op systematische wijze de rekening op te maken. Dit houdt in dat de essentie van de kwaliteit moet leren en dus wat in de tijd beschouwd mooi, nuttig en degelijk is.
Nog steeds voeren we nieuwe oplossingen in, die slechts gebaseerd zijn op één item. Of het nu om scheiding van functies gaat, de plaats van de auto, of de toegankelijkheid van gebouwen. Rondom deze items wordt dan één vorm bedacht, met veronachtzaming van essentiële andere eigenschappen. De oplossing is dan bijna goed. Dus helemaal fout! De recente oplossingen zijn die van wonen boven een parkeerdek 5. Op zich niets mis mee. Maar vervolgens worden er bovendaks allerlei gemeenschappelijke oplossingen bedacht, die geweld aandoen aan alle regels van de privacy. Wonen krijgt dan het karakter van het dagelijkse verblijf op een camping. Ook daar zie, hoor en ruik je elkaar. Dat lukt wel tijdelijk omdat je elkaar verder niet kent. Maar bij wonen moet je je terug kunnen trekken. Het beeld van duurzaamheid wordt in het wonen structureel verstoord, als de scheiding tussen openbaar, gemeenschappelijk en privé ruw verstoord wordt. Dan past het niet meer in een maatschappelijke context en is het niet nuttig.
Duurzaamheid ontstaat dus als er samenhang is tussen het gebruik, de ruimte en de mogelijkheid om je ermee te identificeren. Dus als je als bewoner trots bent op je woning, woongebouw en straat. Dit beeld van duurzaamheid is in elke stad of dorp te vinden. Dus kijk om je heen en wees er zuinig op!

Kader:

Thematische programmapunten

1. de buitenkamer: de ruimte tussen de woningen is ontworpen. Niet alleen de woning, de gevel, maar ook de openbare ruimte kent zijn vorm en eigenheid.
2. de beeldkwaliteit van de gevels. Niet alleen de architectonische kwaliteit domineert hier, maar veelal de identiteit en de sfeer zonder nostalgisch te zijn.
3. de scheiding en overgang tussen openbaar, privé en gemeenschappelijk. Het gaat om het gevoel waar je thuishoort en of je ergens slechts een bezoeker bent.
4. de maat en inrichting van de straat of buitenruimte en de vorm van de begrenzing. Zoals bij een vertrek sprake is van de juiste verhouding tussen lengte, breedte en hoogte geldt dit ook voor de buitenruimten. Ook de vorm van de begrenzing speelt een rol bij de beleving van de ruimte.
5. accomoderend vermogen tav veranderend gebruik. Het gebruik van de openbare en gemeenschappelijke ruimte is aan verandering onderhevig. De plaats van de auto in de woonomgeving is hiervan een treffend voorbeeld.

De Bazelbuurt te Eindhoven

De Bazelbuurt (141 woningen) is een onderdeel van het Philipsdorp in Eindhoven. Dit deel van de wijk is ontworpen door de architect K.P.C de Bazel en gebouwd in 1917.
De stedenbouwkundige structuur is destijds zorgvuldig vormgegeven. Het resultaat is een duurzame wijk gebleken. Kenmerkend zijn de relatief korte straten die altijd uitkomen op T-splitsingen, dit geeft een geborgen gevoel. Alle kruispunten zijn vormgegeven als pleintje, waardoor je van plein naar plein loopt. De straatwanden zijn zorgvuldig geleed. De koppen van de blokken zijn verbijzonderd door verspringingen in de gevel en de dakvorm.
De verschillende toegepaste profielen zijn zodanig breed dat er ruimte is om de inrichting aan te passen. Dit is wel vaak ten koste gegaan van de groenstructuur. In de huidige situatie en de oorspronkelijke situatie zijn geen voortuinen in de ontwerp opgenomen. De bomen in de straat zorgde destijds voor een groen karakter. Die zijn nu veelal verdwenen.
De gevels hadden van oorsprong gelede gevelopeningen. Deze zijn in het verleden vervangen door grote glasvlakken. Dit doet afbreuk aan de uitstraling van de woningen.

’t Ven te Eindhoven

De 363 eengezinswoningen in de wijk ’t Ven zijn gebouwd in 1948 en ontworpen door Brinkman en van de Broek.
De buurt is een ruim opgezet tuindorp met een groen karakter. Het is gegroepeerd rond het Hugo de Grootplein, dat oorspronkelijk met diverse voorzieningen (scholen) eromheen een centrale functie innam en afstraalde op de hele buurt. Het gaf de buurt het grootse karakter. Verder kenmerkt de buurt zich door een transparantie. Door de veranderingen, nieuwe bebouwing op het plein en nieuwbouw op de koppen van de blokken, is de samenhang in het beeld enigszins verdwenen. Afhankelijk van de oriëntatie beschikken de woningen al of niet over een voortuin.
De architectuur is een mix van traditioneel en modern, waarbij het geheel zorgvuldig is vormgegeven.
In het oorspronkelijk ontwerp is met gebruik van uniforme bouwstenen gezocht naar een totaalbeeld. De overgangen tussen straat en woning zijn overal vormgegeven (tuin, stoep, muurtje, hekje). Door de wisselende straatprofielen hebben niet alle straten zich goed aan kunnen passen aan de plaats voor de auto.

’t Witte dorp te Eindhoven

Gelegen tussen de twee radialen Heezerweg en Geldorpseweg ligt de wijk het Witte Dorp. Het Witte Dorp ontworpen door de architect en stedenbouwkundige Dudok werd in 1937 gebouwd.
De wijk oogt als een eenheid. Deze uniformiteit wordt bepaald door de witte gevels met de rode daken en de slanke kozijnen. Ter ondersteuning van de stedenbouwkundige structuur zijn accenten aangebracht op de hoeken, kruisingen en lange blokken door te variëren in bouwhoogte en verspringingen in de voorgevelrooilijnen. Origineel waren ook alle erfafscheidingen in de voortuinen identiek. De ingezette ornamenten zoals een erker, ronde ramen en een balkon zorgen voor enige plasticiteit in de gevels.
Centraal in de wijk is een gemeenschappelijk plein gelegen wat de wijk verbindt en het een open karakter geeft.
De wijk oogt groen door het gemeenschappelijk groen in de straten en de voortuinen van de woningen en de bomen die de straten begeleiden.
Door de ruim opgezette straatprofielen waren de straten aan te passen aan de ruimtebehoefte voor de auto’s.


Bronnen:
1. ‘Duurzaamheid en ruimtelijke kwaliteit’, Martin Liebregts en Sandra Arts, lezing op de bijeenkomst van Futura, 21 januari 2010
2. ‘De Architectura (Over de Bouwkunst in tien delen)’, Markus Vitruvius
3. De eenvoud van duurzaamheid Martin Liebregts en Haico van Nunen, kennisbank Bestaandewoningbouw.nl, 16 maart 2010 of Renovatie nr. 2/2010
4. Nieuwe benadering van de bestaande woningvoorraad Martin Liebregts, kennisbank Bestaandewoningbouw.nl, 27 oktober 2009
5. Het dagelijks terugkerend campinggevoel, Martin Liebregts, kennisbank Bestaandewoningbouw.nl, 5 mei 2010

Print dit artikel Print dit artikel

Categorie: Duurzaamheid, Stedenbouw en architectuur| 1 Reactie »

Een reactie op “DUURZAAMHEID EN RUIMTELIJKE KWALITEIT (1)”

  1. Reactie door: Willem van Oorschot 18 mei, 2010 om 09:49

    Hier ben ik het hardgrondig mee eens.
    Hoe zinvol het reduceren van uitstoot en energiegebruik ook zijn, het zijn slechts aspecten van duurzaamheid. Schoonheid en degelijkheid zijn eigenschappen die tegengaan dat een behoefte ontstaat om stedelijke ruimte of gebouwen (teveel) te veranderen. En herontwikkelen betekent kosten: in materiaal, energie en geld. Dat maakt dat aandacht voor een fraaie omgeving méér dan ooit zinvol en nodig. En dat vraagt niet alleen ontwerpkracht, maar ook bestuurlijke en ambtelijke durf en visie. Wij gaan er al 90 jaar voor en ondersteunen gemeenten in hun ruimtelijke ambities. Inhoudelijk maar ook steeds meer procesmatig. Vroeger vooral achteraf en architectuurgericht, maar al weer jarenlang méér in het voortraject en integraal. Bovenstaand artikel ondersteunt onze voortdurende inzet voor ruimtelijke kwaliteit. Geen luxe die in een tijd van crisis wel even gemist kan worden, maar essentieel voor een duurzame en duurzaam welvarende samenleving.