Bestaande Woning Bouw






gebied, buurt of wijk

4 november, 2009 | door Martin Liebregts

Op zoek naar het gebied

Een dagelijks terugkerend woord bij de aanpak van buurten of wijken is ‘integrale gebiedsontwikkeling’. Dat betekent, dat niet alleen de ‘enge’ fysieke kwaliteit een rol speelt, niet alleen de woning bepaalt de kwaliteit, maar het samenspel van de sociale, culturele, economische en technische aspecten. Op elk schaalniveau zal de afweging van de verschillende aspecten een plaats moeten krijgen (1). Dit is ogenschijnlijk een gemakkelijke en heldere benadering. Maar zoals alles in de praktijk vaak complexer is dan het op papier lijkt, geldt dit ook voor deze benadering.
schets origineel plein
Maar wat zijn nu de specifieke eigenschappen of aspecten die in de betreffende context een belangrijke rol spelen? En welk schaalniveau moet hierbij in de beschouwing betrokken worden (buurt, wijk of stadsdeel)? Of moeten we zoeken naar eenvoudige bouwstenen als we projectoverschrijdende oplossingen willen ontwikkelen?

De grootte van een gebied

In de dagelijkse taal bestaan er diverse woorden om een samenhangend territoriaal stedelijk/bewoond gebied aan te duiden, variërend van dorp, buurt, wijk tot stadsdeel. Ook de omvang van deze gebieden is niet eenduidig. In een dorp wordt een gebied met bijvoorbeeld driehonderd woningen aangeduid met wijk en in een stad kan een buurt tweeduizend woningen omvatten. Net zomin als de grootte en naam eenduidig te benoemen zijn, geldt hetzelfde voor de eigenschappen en het karakter. De ene stad spreekt over stadsdelen en de andere kent allen het begrip wijken als aanduiding voor stadsdelen. Dus de buurt of de wijk bestaat niet zomaar. En als dan de grootte enigszins gedefinieerd is, dan is de spreiding in eigenheid nog zo groot, dat er geen blauwdruk voor te geven is door verleden, fysieke grenzen e.d. en geen stelsel met duidelijke eigenschappen te benoemen is.
woningen per gebiedseenheid

Ideologie of slechts een wijze van kijken

Er zijn vele verhalen over een buurt, wijk of stad te vertellen als geprobeerd wordt de essentie weer te geven. Illustratief voor de ongrijpbare stad is het boek ‘De onzichtbare steden’ van Italo Calvino (2). Hierin worden uiteenlopende verhalen verteld over de stad, of toch over verschillende steden? Voortdurend verandert het aspect dat belicht wordt. Na lezing is duidelijk dat dé stad niet bestaat, alleen als model en dan nog alleen in het hoofd, in de taal en niet in de werkelijkheid. Een ander boek, getiteld ‘De stad’ (3), maakt ons duidelijk dat er veel abstracties over de stad te formuleren zijn. Tussen dromen over de stad en het denken over de nieuwe stad zijn vele beschouwingen te geven. En al deze beschouwingen bevatten aspecten van de werkelijkheid.

Met simpele modebegrippen als schoon, heel, veilig en prettig of aanwezigheid van sociale cohesie of heterogene wijk zeggen we net niets. Het zijn opvattingen die gelden voor elke mogelijke gebiedsgrootte. Hetzelfde geldt voor uitspraken over maatschappelijke en economische functies. Deze algemeenheid is voor het ene gebied een noodzaak en voor het andere een zinloos begrip. Want er bestaan veel soorten wijken. In de praktijk staan er volkswijken en villawijken (of volks- en villabuurten). Daar is niets mis mee. Je moest eens weten hoe er in een villawijk tekeer gegaan wordt als er een opvanghuis voor thuis- en daklozen komt. Is het nu noodzakelijk dat er in een volksbuurt ruimte geschapen wordt voor enkele villa’s? Neen toch? Dus heterogene – ongelijksoortige of van een andere aard – wijken zijn verzinsels van amateur sociologen, die denken dat zij de wereld kunnen maken.
Leefbaarheid is voor elk woonmilieu van belang. Maar hoe dit ingevuld wordt, is per situatie vaak verschillend. De leefbaarheid van het stadscentrum is anders dan dat van een rustig dorp.
Hoe minder je weet, hoe eerder er sjablonen gehanteerd worden. Het kost tijd en energie om de essentie te doorgronden en de specifieke ruimte te zien in een situatie. Dit begint bij het loslaten van vooroordelen en is vooral een kwestie van goed kijken.

Duizend woorden voor een wijk en de essentie

Voortdurend borrelen er nieuwe woorden op om de ‘nieuwe’ wijk of die van het verleden te typeren. Tegenwoordig spreken we graag over de sportieve, creatieve of servicewijk. In het verleden waren termen als rustige, kindvriendelijke wijk of inspraakwijk gangbaar. Soms doemde het woord slaapwijk op om de aanwezige rust negatief te kwalificeren. Uiteenlopende bijvoeglijke naamwoorden zijn in de loop der jaren gehanteerd om iets te suggereren wat er wel of niet gewenst was.
geleding der stad
Voortdurend wordt er gezocht naar een eenvoudige boomstructuur in de ruimtelijke opbouw of in steeds grotere cirkels. De ontwikkelingen van de afgelopen decennia leren ons dat de wereld zo niet meer in elkaar zit. Aan de ene kant is de hele wereld onze fysieke omgeving via internet en aan de andere kant de straat waarin wij wonen. Continu bewegen we ons tussen alle schaalniveau. Voor technocraten een onbeheersbaar proces. Toch bestaan en niet te lokaliseren.
Het is juist het denken vanuit het verleden dat ons beperkt in het denken over de toekomst. In dat geval bedoel ik niet de herwaardering van de waarde van de ons omringende fysieke wereld. Maar veel meer de beschouwing over de relatie tussen het functioneren ervan en de gewenste technische invulling.
Nog steeds overheersen de blauwdrukken, die zich richten op een ‘enge’ fysieke invulling. Een term als zorgzones is een begrip uit het verleden en heeft dezelfde impact als ‘bejaardentehuis’. De toekomst is dynamischer. Gelukkig maar.

De vermaatschappelijkte wijk

Bij gebiedsvisies pogen we greep te krijgen op die ingrediënten, die een relatie hebben met afgeronde en samenhangende bouwstenen (componenten). Als die gekend worden, zijn er gebieds- of projectoverschrijdende oplossingen te bedenken. Ooit was dit in de stedenbouw voorhanden. Zowel de Romeinen, Amerikanen als de uitbreiding van Barcelona hebben de stad teruggebracht tot een grid. Deze ruimtelijke structuur, die natuurlijk qua maat en invulling bepaald wordt door de maatschappelijke context, is een interessante onderlegger voor aanpassing en verandering.
sematisch voorbeeld Kanaleneiland-Zuid
Gebiedsontwikkeling moet zich bescheiden opstellen en niet op zoek gaan naar de grootste maar de kleinste bouwsteen. Niet de wijk maar het bouwblok, de stempel, het blok, de straat is de eenheid voor de aanpassing.
De schaalverkleining van de fysieke aanpassing en transformatie betekent niet dat er geen begrip is voor het grote geheel: de buurt, de wijk, het stadsdeel of de stad. Alleen zijn we ons steeds meer bewust dat er grenzen aan de maakbaarheid zijn. Met elkaar kunnen we ervoor zorgen dat de beeldkwaliteit van de omringende omgeving prettig is. De beweging van functies en het leven van alle dag kunnen we ermee faciliteren maar niet sturen.

Dat wil niet zeggen dat we geen uitgangspunten kunnen formuleren bij de invulling van de gebiedsontwikkeling.
Drie begrippen zullen bij het zoeken van projectoverschrijdende oplossingen een rol moeten spelen:

bouwstenen
De vermaatschappelijkte wijk is dus geen technisch gedefinieerde grootheid, maar het samenspel tussen cultuur, draagvlak en techniek.
De eenheid van aanpassing moet in de context gezocht worden. Het gaat dan om te zoeken naar de kleine ingrepen met grote positieve effecten en niet andersom. Dat betekent zoeken naar de mogelijkheden – indien nodig – om te differentiëren, geïntegreerd in het bestaande. Misschien is het bouwblok een hanteerbare bouwsteen hiervoor.


Bronnen
1. Nieuwe benadering van de bestaande woningvoorraad, Martin Liebregts, kennisbank Bestaandewoningbouw.nl, 27 oktober 2009.
2. ‘De onzichtbare steden’, Italo Calvino, Turijn, 1972 (vertaling 1982)
3. ‘De stad’, redactie H. Dings, Rotterdam 2006.
Overige bronnen
– ‘Een leefbare stad’, Hans Paul Bahrdt, 1968 (vertaling 1972).
Hij pleit ervoor niet het begrip buurt te hanteren vanwege verschillende betekenissen. Hij pleit voor het begrip woonwijken. Bewoners identificeren zich met het stadsdeel waarin men woont. Hij pleitte destijds voor woonwijken voor 16.000 à 20.000 inwoners, ofwel circa 5.000 à 6.000 woningen bij een woningbezetting van circa 3,5 (1968). De grootte van de wijk was destijds gebaseerd op het kunnen dragen van een winkelcentrum. De tijd leert dat dit tijdelijke grootheden zijn.
– In ‘Eindhoven, stadsontwikkeling 1900-1960’ van Piet Beekman wordt op pagina 166-167 over de opzet van de wijk Bouw, 13-4-1946 geciteerd (de wijkgedachte).
“De wijk is de woonplaats voor een gemeenschap van ± 10.000 mensen (5-20.000 zijn in het algemeen de cijfers)… in ons land met de relatief hoge bebouwingsdichtheid tot een bevolking van 20.000 aanleiding geeft. De gemiddelde woningbezetting was rond 1955 ca. 4. Dit houdt in een wijk van ca. 5.000 woningen.”
– Het inwonertal van de wijken is de afgelopen vijftig tot zestig jaar door de afname van de woningbezetting afgenomen met 40 tot 50 procent.

Print dit artikel Print dit artikel

Categorie: Stedenbouw en architectuur, Voorraad| Geen reacties »

Plaats een reactie