Bestaande Woning Bouw






gemeenschappelijkheid en wonen

10 augustus, 2010 | door Martin Liebregts

Bevat een portiek 5 tot 8 woningen, bij een galerijgebouw kan dit oplopen tot ca. 250 woningen, die van √©√©n entree ofwel voordeur gebruik moeten maken. Grote woongebouwen zijn gemeenschappen op zich, waarvan het gedrag van de afzonderlijke gebruikers/bewoners een grote invloed kan hebben op het woongenot. In de traditionele woningbouw werd het aantal woningen wat van √©√©n ontsluiting gebruik moest maken vooral beschouwd in het licht van de functionaliteit en de kosten (1). Er is en wordt van uitgegaan dat 50 tot 100 huishoudens zonder intensieve externe bemoeienis eenvoudig samen moeten kunnen wonen, ondanks de toenemende diversiteit in woon- en leefstijlen. Kijken we naar de opkomende ‚Äėgated communities‚Äô, die al beginnen met een selectie bij de voordeur, dan zien we dat er vanaf het begin verenigingen in het leven geroepen worden, die ook moeten toezien op de ‚Äėhuisregels‚Äô. De specifieke benamingen als resort, residence of zelfs landgoed moeten ervoor zorgen dat er iets gemeenschappelijks is. Vanuit het verre verleden kennen we nog de begijnenhoven, waarbij levensvisie en gedragsregels aan elkaar gebonden zijn, binnen een afgebakende stedelijke ruimte. De actuele vraag is, wat we aan moeten met de grote stedelijke woongebouwen en welke grootte onder welke voorwaarden acceptabel is, nu en in de toekomst. De grenzen van beheer(s)baarheid Veertig jaar geleden tekende architect Bakema op zijn galerijen nog vrolijk een bakker met een loopwagen, die als het ware begeleid werd door vrolijk huppelde kinderen (2). Vrij van het autoverkeer kon er op elk niveau gewoond worden. De werkelijkheid is nu achteraf toch ingewikkelder gebleken. De idylle van het samenwonen onder de paraplu van de maatschappelijke zuilen en de erbij behorende normen en waarden is al decennia voorbij. In deze tijd heb je in de grote stedelijke woongebouwen te maken met een grote verscheidenheid aan bewoners, zowel qua huishoudenstype, leeftijd en culturele en maatschappelijke achtergronden. Ongeschreven regels zijn niet zomaar van toepassing. De vraag is nu, wat dit betekent voor bestaande en nieuwe gebouwen. Niet-geplande ‚Äėgated communities‚Äô De honderdduizenden flatwoningen uit de periode 1960-1990 staan steeds meer onder druk. De problemen van de grote diversiteit in woon- en leefstijlen zijn niet op te lossen met verf, een nieuwe entree of restyling van het gebouw. Sociaal-maatschappelijke problemen zijn niet weg te poetsen. Het resultaat is op dit moment dat de complexen steeds meer afgesloten worden en dat het toezicht ge√Įntensiveerd wordt, zonder precies te weten wat nu in de specifieke situatie het passende antwoord is. Geleidelijk ontstonden er niet-geplande ‚Äėgated communities‚Äô, waarbij wel het hekwerk bestaat maar de gemeenschappelijkheid ontbreekt. De ontwikkelingen zijn niet nieuw. In de VS wordt het steeds meer gangbaar om te wonen in ‚Äėgated communities‚Äô. Dit geldt voor alle sectoren van de samenleving: arm, rijk, huur en koop (3). In zijn artikel ‚ÄėGated communities: opvattingen en misvattingen‚Äô noemt Manuel Aalbers enkele argumenten voor de toename van gated communities:

In de afgelopen tien jaar begint het verschijnsel ‚Äėgated community‚Äô in Nederland ook voorzichtig op het toneel te verschijnen:

Zij vormen duidelijke exponenten van een groeiende behoefte. Op zoek naar een passend antwoord Tegelijkertijd met de tendens van afgesloten woongebieden, zien we in de huidige woningbouw soms een structurele ontkenning van de behoefte aan privacy (4). Woongebouwen en bouwblokken worden vormgegeven als volksbuurten, waarbij bewoners op elkaars schoot komen te zitten. Er wordt iets gemeenschappelijks verondersteld, zonder dat het aanwezig is. Des te belangrijker wordt het om structureel onderzoek te doen naar de zinvolle schaal van gemeenschappelijkheid voor de diverse woonmilieus, met de bijbehorende beheersmaatregelen of -constructie, en met voldoende ruimte voor de gewenste privacy. Het is niet aan de ontwerpers om de uitgangspunten hiervoor vast te stellen, maar het is de taak van de maatschappij en haar professionele opdrachtgevers om de diverse programma’s hiervoor op te stellen. Het zoeken zal zijn naar een fysieke omgeving die meerde vormen van gebruik toelaat en ruimte biedt aan (nieuwe) ontwikkelingen in de maatschappij. Wie geeft zich op om hiervoor het gewenste onderzoek mede ter hand te nemen?

Bronnen
1. ‚ÄėDe grenzen van de galerijflat‚Äô, Martin Liebregts, Renovatie, nr. 4/2009
2. ‚ÄėDe functie van de vorm‚Äô, Van den Broek en Bakema architectuur en stedenbouw, red. Hans Ibelings, NAI Rotterdam, 2000
3. ‚ÄėGated communities. Opvattingen en misvattingen‚Äô, Manuel Aalbers, tijdschrift Geografie, nr. 7/2005
4. Het dagelijks terugkerend campinggevoel, Martin Liebregts, Kennisbank Bestaande Woningbouw, 5 mei 2010
5. ‚ÄėStedenbouw: de grenzen van de maakbaarheid‚Äô, Martin Liebregts, Renovatie, nr. 5/2008.

Print dit artikel Print dit artikel

Categorie: Duurzaamheid, Stedenbouw en architectuur, Voorraad| 5 Reacties »

5 Reacties op “gemeenschappelijkheid en wonen”

  1. Reactie door: Benno Gruijters 11 augustus, 2010 om 07:26

    Hallo Martin, ik wil graag mee doen met het onderzoek. We hebben hier in Hardinxveld-Giessendam een aantal van deze flats waar situaties zijn die jij in je artikel schetst.
    Groeten,
    Benno

  2. Reactie door: Arno Groen 11 augustus, 2010 om 08:15

    Ook hier in Rotterdam interesse. We staan op het punt een toekomstvisie te ontwikkelen op een complex van meerdere gallerijflats.

  3. Reactie door: suzanne groenewold-stengs 11 augustus, 2010 om 09:50

    Overdimensioneren van het gemeenschappelijk domein is het toverwoord. Zoals vroeger alle gemeentes van elkaar gescheiden waren door een zone van onbebouwd gebied (landbouw/ natuur) zodat de eigen identiteit zichtbaar/versterkt wordt. Een ander voorbeeld zijn de grote flatcomplexen die aan de rand van de gemeente werden neergezet grenzend aan (openbaar) groen. Binnenstedelijk werden deze kolossen vaak ruime kavels toebedeeld om enige afstand tot andere bebouwing te geven. Ook al was het openbaar groen niet onderdeel van het woonblok; visueel hoorde het er wel bij. Ik ben enkele jaren geleden op een architectuurexcursie naar Helsinki geweest en heb daar enkele geslaagde sociale woningbouwprojecten bezocht waar hele kleine (grondgebonden) woningen in een zeer hoge dichtheid gegroepeerd stonden. Het succes: de bosrijke omgeving waarin het als solitair project stond…
    M.a.w. er is minder privacy nodig indien in de nabije omgeving ruimte is om je even terug te trekken/ op adem te komen of anderszins. In de Vinexwijken gebeurt eigenlijk het tegenover gestelde; grote huizen op veel te kleine kavels. Hier trekt men zich terug in eigen woning (of binnen een gezin trekt een gezinslid zich terug in een eigen ruime kamer) om even wat privacy te genieten in een wijk die tot de laatste centimeter ‚Äúbestemd‚ÄĚ is.
    Hoge dichtheden hebben een groter contraruimte nodig om weer een juiste balans te cre√ęren. Het voordeel van een hoge dichtheid in de vorm van een woongebouw is dat de over gedimensioneerde gemeenschappelijke ruimte, mits goed is vormgegeven, niet alleen de bewoners, maar ook een buurt, wijk of zelfs gemeente kan dienen. Een win-win situatie.
    Ik ben dan ook geen voorstander van afgesloten woongebieden; het cre√ęert eventueel samenhorigheid voor de bewoners, maar bied de naaste omgeving niets.

  4. Reactie door: Bernadette de Wit 12 augustus, 2010 om 12:08

    Wordt hier niet angstvallig weggelaten dat diversiteit van leefstijlen, immers geen probleem in de dichtbebouwde, met functies overladen en qua nationalieiten gemengde binnenstad, vooral een probleem is in wijken buiten de ring waar laaggeschoolde niet-westerse immigranten wonen? Na 25 jaar Bijlmermeer kan ik concluderen dat deze groepen worden gekenmerkt door een hogere vervuilingsen lawaaitolerantie, minder betrokkenheid bij een publieke moraal, gebrek aan belangstelling voor leefbaarheid, vermijdingsgedrag t.a.v. gemengd samenleven én door een hardnekkige voorlichtings- en woonsfaprakenresistentie. Alleen straffe handhaving roept hier gewenst gedrag op. Maar handhaven is niet sexy en doet weinig voor het cv. En dan krijg je ruimtelijk reductionisme, een vorm van escapisme waarin je eindeloos kunt ronddobberen zonder dat er iets meer uit komt dan recyclen van modetrends en het wiel telkenmale opnieuw uitvinden.

  5. Reactie door: Aleida Verheus 24 augustus, 2010 om 14:36

    Opvallend bij de evaluatie van 10 jaar GWL-terrein in Amsterdam was de constatering dat het eco-gehalte van de wijk vooral te danken was aan een stevige ‘branding’ bij de start van de ontwikkeling. De eco-maatregelen bleken – zeker naar de huidige maatstaven- relatief karig of niet meer werkend. Het bindende element van ‘autovrij wonen’ blijkt krachtig en aantrekkelijk voor een gemengde maar toch weer specifieke groep stadsbewoners. Community maar dan zonder gate, volgens mij is dat best een toekomstwaardig concept. Edoch vooral voor de nieuw te ontwikkelen gebieden, waar geen ‘hinder’ is van zittende sociaal-economisch achtergestelde bewoners…..