Bestaande Woning Bouw






Met installaties meer kwaliteit

25 oktober, 2007 | door Haico van Nunen

De bestaande woningbouw krijgt weer volop aandacht. Het wordt voor iedereen duidelijk dat een voorraad van ca. 7 miljoen woningen vraagt om een hierop toegesneden aanpak.
Het grootste deel van onze voorraad is ouder dan dertig jaar. In die dertig jaar is er veel veranderd. De economische groei is doorgezet en daaraan gekoppeld de individualisering en intensivering van onze maatschappij. De woning speelt steeds meer een centrale rol in de uiting en vorming van identiteit. Mensen vinden het weer belangrijk waar men woont en het imago dat het wonen met zich mee brengt. Met name de uitrusting en afwerking worden meer mode- en smaakgevoelig. De eisen aan comfort worden hoger en persoonlijker.
galerijflat
Daarnaast zijn de inzichten over de invloed van het wonen op gezondheid toegenomen. Het gevolg is dat de eisen die worden gesteld aan de luchtkwaliteit in woningen steeds scherper worden.

Dit alles gaat gepaard met een groeiend besef dat het milieu achteruit gaat en dat energie schaarser en duurder wordt. Het zuinig omgaan met energie stijgt daarmee op de agenda. Maar tegelijkertijd vormt de energiezuinigheid een tegenstelling in relatie tot de grotere behoeften en wens naar meer comfort. De bewoner wil meer comfort met minder energiegebruik.

Kwaliteit en levensduurverlenging

Installaties en bouwfysische eigenschappen van het gebouw bepalen in hoge mate het wooncomfort, de gezondheid, het binnenklimaat en het energiegebruik. De eisen die men nu stelt aan installaties en bouwfysische eigenschappen zijn van een heel andere orde dan in het verleden.
De verbetering van installaties en bouwfysische eigenschappen van de bestaande bouw neemt daarom een centrale plaats in bij de aanpak van de bestaande bouw. Uit de praktijk blijkt echter dat niet alle gebouwen even eenvoudig aan te passen zijn. Met name het verbeteren van installaties in woongebouwen, gebouwd tot en met de jaren zeventig, stuit in de praktijk op problemen. Het gaat hier vooral om galerij- en portieketagewoningen. Toch zit hier een mogelijkheid, aangezien de installaties een vervangingscyclus van vijftien tot twintig jaar kennen en de minimale levensduurverlenging van deze gebouwen ook een dergelijke periode omvat. Het vraagt soms om een creatieve oplossing.

De bestaande situatie bij portiek en galerij

De galerijwoningen zijn vaak uitgerust met een collectieve cv-installatie en een open geiser voor het warmtapwater. Deze installaties zijn slecht regelbaar en er zijn beperkte mogelijk-heden voor verrekening van de energiekosten.
De portieketagewoningen zijn vaak met lokale verwarming zoals gashaarden en geisers uitgerust. In veel gevallen zijn die al wel vervangen door een combiketel. Het probleem in het laatste geval is dat deze vaak op een wat ongelukkige plaats is neergezet. De beschikbare ruimte is in deze woningen beperkt waardoor er voor het oog minder fraaie oplossingen ontstaan.
Vóór 1975 zijn de woningen veelal met shuntkanalen voor natuurlijke ventilatie uitgerust. Later zijn er vaak ventilatoren op geplaatst. Dit geeft niet altijd een gunstig resultaat. Er wordt te veel of te weinig afgezogen en de afzuiging is slecht regelbaar. Vaak zijn de kanalen lek waardoor het dubbele van de gewenste hoeveelheid wordt afgezogen.
Het verbeteren van de installaties in dergelijke gebouwen kan complex zijn. Een collectieve installatie optimaal individueel regelbaar en verrekenbaar maken, vereist vergaande aanpas-singen, ook in de woning. Het achteraf aanbrengen van nieuwe installaties vraagt creativiteit om een acceptabele plaats voor het toestel en de leidingen te vinden.

Wetgeving

hoogbouwMaar ook de wetgeving maakt het lastig om de kwaliteit van de bestaande situatie op eenvoudige, minder ingrijpende wijze te verbeteren. Kon men voor kort nog eenvoudig een rookgasafvoer van een ketel op de gevel afvoeren, nu moet de uitmonding bovendaks geplaatst worden en worden er eisen aan plaats en hoogte gesteld. Echter, deze wetgeving stelt nauwelijks eisen aan het bestaande waar niets aan gebeurt. Bijvoorbeeld open verbrandingstoestellen zoals geisers hoeven niet vervangen te worden, ook al weten we dat ze vervuilen en er gezondheidsrisico’s aan kleven, en dat ze wat betreft het tapdebiet te weinig comfort bieden. Vanuit de wetgeving zijn er wel barrières voor de verbetering, maar wordt er geen druk gezet om te verbeteren. Het moet dus ergens anders vandaan komen.

Woonkwaliteit: gezonder en comfortabeler

Wonen is veranderd van ruimte om te wonen naar wonen met kwaliteit. Binnen woonkwaliteit zijn met name twee aspecten steeds belangrijker geworden: gezondheid en comfort.
Als we het hebben over gezondheidsaspecten in een woning kan en onderscheid maken naar drie aspecten: luchtkwaliteit, individuele be√Įnvloedbaarheid van het binnenklimaat en reinigbaarheid van woning en installaties.
De tweede woonkwaliteit die we benoemen is comfort. Binnen de woning wordt hier dan veelal gekeken naar thermisch comfort, akoestisch comfort en gebruikscomfort (van het warmtapwater). Bij het kiezen van nieuwe installaties spelen deze twee kwaliteitsaspecten een belangrijke rol.
In wezen gaat het bij deze kwaliteiten om de regelbaarheid van het klimaat naar temperatuur en luchtkwaliteit (ventilatie) en het makkelijk bedienen van installaties. Bij individuele systemen is er een zekere mate van regelbaarheid gangbaar. De temperatuur wordt per woning door een kamerthermostaat geregeld. De ventilatie is meestal in drie standen te regelen.
Er zijn mogelijkheden om deze regelbaarheid verder te verbeteren:

Strategisch ingrijpen

Vanuit het strategisch voorraadbeleid stellen beheerders beheerstrategie√ęn op voor de diverse complexen. Een belangrijk onderdeel van de beheerstrategie met betrekking tot een complex is de ingreep die men wil doen om de kwaliteit op het gewenste peil te houden of te krijgen. Hierbij worden onderscheiden:

Hoe grotere de kwaliteitssprong des te ingrijpender de ingreep en hoe langer de exploitatieperiode die hierbij beschouwd wordt.

Om de vijftien jaar een impuls: minder energie, meer comfort

Installaties voor verwarming en warmtapwater hebben een levensduur die ligt tussen de vijftien tot twintig jaar. Afhankelijk van de toepassingen is het vanuit het verbruik bekeken soms zelfs eerder al zinvol om tot vervanging over te gaan. Het gebouw zelf is vaak in een eerder stadium op onderdelen aangepast, bijvoorbeeld isolatie. De installatie kan nu weer up-to-date gebracht worden. Door te kiezen voor een installatieconcept dat aansluit bij de wensen van deze tijd kan men tevens een besparing van energie realiseren. Het verminderde verbruik levert op zijn beurt weer een reductie in de woonlasten.

energielabelBij het verminderen van het energiegebruik gaat het om installatiemaatregelen, waarbij effici√ęnt omgegaan wordt met energie. Het toepassen van toestellen met een hoog rendement is een logische maatregel. De laatste jaren is dat gedaan met HR-ketels. Het combineren van functies, waardoor zuinig met energie wordt omgegaan, is een mogelijkheid. Gebalan-ceerde ventilatie is hier een voorbeeld van: door luchttoevoer en luchtafvoer te combineren, kan warmte uit ventilatielucht teruggewonnen worden en weer de woning ingeblazen worden. De energieprestaties zullen in de nabije toekomst (door de uitwerking van de Europese richt-lijn ‚ÄėEnergieprestatie van gebouwen‚Äô, EPBD) weergegeven gaan worden via een Energie-Index (EI) en een label. Dit label heeft een indeling van G (zeer energie-onzuinig) tot en met A++ (zeer energiezuinig). Veel ouderen flatgebouwen zouden in categorie F en D ingedeeld worden. Met maatregelen aan installatie en schil kan categorie C zeker bereikt worden.

Collectieve installaties

Het rendement van een collectieve verwarming kan heel hoog zijn door het toepassen van HR-ketels en het ‚Äėcascade‚Äô schakelen van meerdere kleine ketels, zodat de ingeschakelde capaciteit optimaal op de vraag afgestemd kan worden. Deze effici√ęntie kan nog verder op-gevoerd worden door een mini WKK, waarbij opwekking van elektriciteit wordt gecombineerd met verwarming. Mini WKK is al bij een gebouwgrootte van vijftig woningen realiseerbaar. Ook een warmtepomp kan een interessante optie zijn. Voor warmtapwater vormt de warmtepompboiler een geschikte optie. De laatste tijd zien we steeds vaker combinaties van maatregelen zoals een WKK met een warmtepompboiler, een cv-ketel met zonneboiler of een warmtepomp met zonnecollectoren om de voordelen van de apparaten te combineren.
Een ander voordeel van collectieve verwarmingsinstallaties is dat het onderhoud grotendeels centraal kan gebeuren en bewoners daar weinig tot geen overlast van hebben.

Collectieve installaties en verrekening

Een ander belangrijk punt bij collectieve gebouwen en installaties is het verrekenen van de energiekosten. Bij individuele systemen is dit geen punt en ziet de gebruiker wat hij zelf ver-bruikt. Maar bij collectieve systemen is dit slechts beperkt mogelijk. Traditioneel worden er verdampingmeters toegepast, waarbij de kosten via verrekenregels worden verdeeld. De moderne elektronische variant is nauwkeuriger en bovendien op afstand af te lezen. Ook is er de Individuele Regel Combinatie die is voorzien van een doorstroommeter, waarmee indi-vidueel afgerekend kan worden. De mogelijkheden worden steeds uitgebreider. Op afstand uitleesbaar is een eerste stap, maar dit ontwikkelt zich tot systemen, die continu het verbruik vastleggen, dit kunnen vergelijken met andere woningen in het complex (of daarbuiten) en dit ook terug kunnen koppelen naar de bewoner. Op die manier levert niet alleen de installatie een bijdrage aan de energiebesparing, maar kan de bewoner daar ook een bijdrage aan leveren. Collectieve installaties behoeven geen beperkingen op te leggen voor het individuele gebruik en comfort op maat.

Energieverspilling is zinloos

portiek met nieuwe installatiesEr is geen enkele reden te bedenken waarom niet minimaal alle installaties van de bestaande woningvoorraad geoptimaliseerd kunnen worden vanuit het oogpunt van comfort en energiebesparing. Zolang er geen optie voor sloop op de agenda staat, gaat elke woongebouw nog zeker vijftien jaar mee. Een periode die samenvalt met de levensduur van de installatie-unit, of het nu om verwarming, warmtapwater of ventilatie gaat. Nog steeds wordt er onnodig energie verspild. Misschien geldt ook hier dat alleen straf voor beheerders of eigenaars een oplossing is?
Wie pakt eindelijk zijn maatschappelijke verantwoordelijkheid?

Dit artikel is gepubliceerd in Stedebouw & Architectuur nr 7 – 2007 en is mede gebaseerd op het onderzoek ‘Installaties in bestaande woningbouw: kiezen voor verbetering’ dat in opdracht van SenterNovem is uitgevoerd.

Print dit artikel Print dit artikel

Categorie: Duurzaamheid, Renovatie en onderhoud| 1 Reactie »

Een reactie op “Met installaties meer kwaliteit”

  1. Reactie door: Marella Lute 7 juli, 2009 om 16:30

    In uw artikel schrijft u onderstaand:
    Maar ook de wetgeving maakt het lastig om de kwaliteit van de bestaande situatie op eenvoudige, minder ingrijpende wijze te verbeteren. Kon men voor kort nog eenvoudig een rookgasafvoer van een ketel op de gevel afvoeren, nu moet de uitmonding bovendaks geplaatst worden en worden er eisen aan plaats en hoogte gesteld.

    Kunt u mij vertellen in welke wet en regelgeving dat terug te vinden is? Bij voorbaat mijn dank!