Bestaande Woning Bouw






Is renovatie sexy?

18 juni, 2007 | door Jos Lichtenberg

Altijd en overal krijgt nieuwbouw veel meer aandacht dan renovatie. Zowel voor opdrachtgevers als ontwerpers is er kennelijk meer eer te behalen aan een verfrissend nieuwbouwproject dan aan de upgrading van bestaande complexen. Opvallend is dat ook de industrie zich bij productontwikkeling meer op de nieuwbouw richt dan op de renovatiemarkt. Hoe komt dat nou en is dat wel terecht? Hoe groot is de renovatiemarkt eigenlijk? En wat broeit er in productontwikkelingkeukens dus hoe ziet de renovatietoekomst eruit? Daarover gaat het in dit artikel. Wellicht een aanleiding om eens wat meer aandacht aan dit segment te geven. Het is het waard.
Blijdorp Vroeselaan Rotterdam
Andr√© Thomsen, die recent als hoogleraar afscheid nam van de TU Delft, ventileert regelmatig een op ons afkomend onheil: er staan in Nederland 6,8 miljoen woningen en we realiseren per jaar ongeveer 1% van die voorraad als nieuwbouw. Dat wil niet zeggen dat we ook 1% aan de voorraad toevoegen, want er zijn ook onttrekkingen. Toch heeft nog steeds niet elk huishouden een woning om nog maar niet te spreken van een passende woning en groeit de vraag naar woningen dus nog jaarlijks. Als je dat allemaal meerekent zouden woningen gemiddeld tenminste 150 ‚Äď 200 jaar mee moeten gaan. De boodschap is duidelijk. We zouden ongelooflijk zuinig moeten zijn op onze bestaande voorraad.

De realiteit is anders. In de praktijk wordt er momenteel erg gemakkelijk voor sloop gekozen. Veel woningen halen de 40 jaar niet. En als we het al over renovatie hebben, dan gaat het na 30 jaar over het oprekken van de levensduur met 20 jaar, maar denken we niet aan een eventueel derde leven.
Opmerkelijk is ook dat de nieuwbouw die we aan de voorraad toevoegen ook bepaald niet flexibel is terwijl het op ons afkomende probleem toch voorspelbaar is.

Nu kun je de achterstand wel een tijdje laten oplopen, maar zorgelijk is dat er geen zicht is in een ommekeer in het denken. Inmiddels is de achterstand in het onderhoud al tot ongeveer twee miljoen woningen opgelopen, met name in de betrekkelijk nieuwe naoorlogse wijken. De huidige beschikbare renovatietechnieken zijn volstrekt ontoereikend om deze opgave kosteneffici√ęnt, duurzaam en snel tot een goed einde te brengen. Sloop is dus ook vaak een keuze uit arrenmoede. Als er wel wordt gerenoveerd gaat het meestal om een optelling van verbrokkelde deel activiteiten. Spouwmuurvulling, dakisolatie, een nieuwe keuken, een achteraanbouw, een nieuw dak, het slopen en aanwerken van een rookkanaal, nieuwe betegeling van het toilet, herinrichting van de badkamer, het schilderen van het buitenwerk, etc.
Soms gaat het alleen om een veredelde opknapbeurt, af en toe komt het optoppen, uitbuiken of uitplinten in beeld en een enkele keer ook gaat het om een grootschalige renovatie op wijkniveau, maar steeds weer wordt per locatie het plan de campagne gemaakt. Eigenlijk gaat het daarbij om het aanbieden van diensten. U roept, wij draaien. Zoiets als een breed toepasbaar standaard renovatieconcept bestaat eigenlijk nog steeds niet. Hoe komt dat nou? Zo zou men zich kunnen afvragen.

Fragmentarische aanpak

Een mogelijke verklaring is wellicht de diversiteit aan woningen. Je weet nooit precies waaraan je begint? Toch is dat maar een deel van de uitleg. Naast verschillen bestaan er immers ook grote overeenkomsten. Denk maar aan de voorraad etage portiekwoningen, de rijtjeshuizen of de galerijflats. Dat zijn stuk voor stuk zeer grote deelmarkten.
Het is eerder de marktstructuur aan de aanbodzijde die de fragmentarische aan pak bij renovatieprojecten bepaalt. De industrie is namelijk ook verbrokkeld. Iedereen is verantwoordelijk voor zijn eigen deelproduct. De isolatie-industrie levert isolatiemateriaal, de aardewerkindustrie de toiletpotten en andere sanitaire voorzieningen,etc. Niemand voelt zich vanuit zijn bescheiden positie geroepen vanuit een integrale gedachte te opereren. Het schuift overigens wel op. Zo introduceert Raab Karcher met veel kracht badkamer- en keukenconcepten en worden vanuit Lafarge en Ubbink dakconcepten aangeboden die veel verder gaan dan alleen het leveren van dakpannen of ventilatiedoorvoeren. Maar het blijven onderdelen van de renovatie
als totaal.

De bouwondernemer ziet zichzelf als dienstverlener en blijkt ook niet de partij te zijn, die pro-actief tot productontwikkeling komt. Ondanks de in termen van uren steeds weer hoge toegevoegde waarde op het werk, blijft de benadering traditioneel en projectgericht.
De rol van de architect is vaak beperkter dan bij nieuwbouw, maar voor zover die er is respecteert die, wellicht noodgedwongen, ook de bestaande gevestigde orde.

Vanuit partijen uit de sector moet je dus niet verwachten dat er snel wat verandert. De versnippering en de hoeveelheid betrokken partijen is daarvoor te groot. Wellicht komt het wel van samenwerkingen in de keten en eventueel zelfs van buiten de bouw? Er liggen immers wel degelijk kansrijke uitdagingen. De portiekwoningen, rijtjeshuizen en galerijflats zijn al genoemd, maar ook de 6,5 miljoen m2 leegstand in kantoren vormen een uitdaging. Waar het nu al lukt gaat het meestal om karakteristieke gebouwen met een historische waarde en een gunstige ligging ten opzichte van de stad. Knelpunten zitten vaak nog in het realiseren van de bouwbesluiteisen ten aanzien van geluidsisolatie en soms ook brandwerendheid en vochthuishouding in samenhang met het upgraden van de warmte-isolatie.

Het broeit

Intussen broeit het op het R&D front. Het Europees Kenniscentrum Bouw Innovatie, een uitvoerende stichting gelieerd aan Booosting, richt haar pijlen op de transitie van kantoren en met name de tijdelijke functiewisselingen.

Reflex is een initiatief van TNO en een in omvang aanzienlijke groep instanties en bedrijven om in een samenwerking tot renovatieconcepten te komen. Dat project loopt nu een paar jaar en komt in een afsluitende fase. Door de totaal aanpak kan er fors worden gescoord op effici√ęntie en kwaliteit. Die kwaliteit zit onder andere in energiebesparing.
De Technische Universiteit Eindhoven voert onderzoek uit naar de verbetering van de energieprestatie van bestaande woningen. Inmiddels is het breed doorgedrongen dat niet de nieuwbouwwoningen verantwoordelijk zijn voor onze nationale energieconsumptie, maar vooral de bestaande voorraad.

Doos-in-doos

Een van de weinige concepten op dit gebied wordt inmiddels door BPB op de markt gebracht. Het betreft een Box-in-Box systeem, waarbij voorzetwanden, -plafonds en ‚Äďvloeren samen een doos in doosconstructie vormen. Deze aanpak heeft een geweldige potentie, omdat hoge fysische prestaties haalbaar zijn. De isolatie vormt immers een gesloten jas rondom de ruimte, waardoor koudebruggen niet structureel voorkomen en er ook geen warmteverlies is naar niet verwarmde ruimtes. Met name leidt deze aanpak ook tot akoestisch excellente prestaties.

Comfort+ borduurt daar weer op door. In een samenwerking met Jansen de jong Bouw en MAT afbouw, AFL (bureau voor bouwfysica te Heerlen) en ondergetekende is dit concept doorontwikkeld.
Het concept is gebaseerd op het strippen van woningen (binnenafbouw wordt verwijderd) en het vervolgens invullen met een doos-in-doos constructie, vergelijkbaar met het BPB concept, echter aanvullend is in de voorzetconstructie een netwerk van watervoerende slangen opgenomen, waarmee de woning kan worden
verwarmd, cq. gekoeld. De slangen liggen daarbij niet aan het oppervlak, waardoor het risico van beschadigen nihil is. De slangen liggen bij toepassing in wanden verdiept in een houder, die tevens de warmte naar het wandoppervlak geleidt. Zeer waarschijnlijk wordt nog dit jaar begonnen met een Maastrichtse woonwijk van corporatie Servatius naar een ontwerp van Harold Janssen van Satijn+ architecten. Het bijzondere hier is dat er ook woningen worden herverkaveld. Dat wil zeggen dat op sommige plekken in het plan een rij van drie woningen wordt herverdeeld tot twee woningen. De doos-in-doos strategie schept namelijk de mogelijkheid om nieuwe woningscheidende wanden te realiseren binnen een bestaande ruimte. Bijzonder is ook dat het verwarming- en koelprincipe grote kansen biedt op een rendabele inzet van warmtepompen. De betreffende wijk ligt daartoe ook gunstig nabij de maas en watervoerende grindlagen, waarmee de warmtepompen kunnen worden gevoed.
Comfort+
Een volgende ontwikkeling is om doos-in-doosconstructies ook te voorzien van een leidingfaciliterende constructie, zodat na de renovatie ook een flexibel eindresultaat wordt bereikt. Het aanpassen van woningen valt of staat immers met de flexibiliteit en bereikbaarheid van de leidingen.

Uitdaging

Renovatie was door de fragmentarische aanpak nooit zo’n interessante uitdaging voor creatief Nederland. De inspiratie is vooral op nieuwbouw gericht. De ont dekking dat het ook voor de renovatie mogelijk is concepten te ontwikkelen genereert een nieuw soort enthousiasme, waaraan we de komende jaren nog veel plezier kunnen beleven. De integrale aanpak leidt niet alleen tot een verzekerd hoog kwaliteitsniveau, maar tegelijkertijd ook nog tot een voordeel op het niveau van integrale kosten. Dat biedt straks mogelijkheden voor projecten om te renoveren in plaats van tot sloop over te gaan. Niet alleen financieel, maar ook ontwerptechnisch liggen daar kansen. Uiteindelijk trekt dat dan ook weer de aandacht van architecten en
studenten en is er dus een re√ęle kans dat renovatie bouwbreed meer in de picture komt. Renovatie wordt dan daadwerkelijk meer sexy. Gelet op de achterstand is dat hard nodig.

Print dit artikel Print dit artikel

Categorie: Bouwtechniek| 1 Reactie »

Een reactie op “Is renovatie sexy?”

  1. Reactie door: 10 24 maart, 2016 om 15:13

    Hello!