Bestaande Woning Bouw






Ontwerpen en verhalen

25 mei, 2011 | door Roel Kruijer

auteur: Mr. Drs. R.L. (Rob) Fens
coordinator profiel Real Estate|faculteit facility management, Hogeschool Zuyd

Gevraagd naar het einde der tijden, begon de Franse wijsgeer en criticus Jean –Claude Carriere zijn antwoord ooit met de beschrijving van het einde van de grammaticale tijden en noemde als voorbeeld de voltooid tegenwoordig toekomende tijd als in de zin: “mijn werk zal morgen gedaan zijn”. In dezelfde tekst vervolgt deze denker met een andere bespiegeling van tijd: “we zullen de tijd nooit in genoeg tijden kunnen opdelen om hem te kunnen beheersen, en elk ogenblik te kunnen zeggen: we bevinden ons in die en die tijd, in die en die vergankelijke voorwaartse beweging”. De implicaties in het denken over tijd, die hierin verborgen liggen laat ik onbesproken maar onloochenbaar juist lijkt mij dat tijd gezien wordt als een voortgaande beweging. Het menselijk brein laat niet anders toe dan de tijd te zien als een lineaire structuur, waarin verleden, heden en toekomst een plaats hebben. Omdat leven in deze niet anders in dan een ‘in de tijd zijn’, moeten mensen zich met de eigen tijd verdragen. Uiteindelijk komen ze zelf buiten de tijd te staan. Sterven is misschien juist daarom wel zo onverdraaglijk. Het menselijk zijn is dan, in geval van het individu, tot een ís geweest’of een ‘was’ geworden.

Ontwerpers zijn – het moge verbazen – in de eerste plaats ook gewoon mensen maar daarbij nog beroepsmatig in de gelegenheid de eigen tijd en daarmee de toekomst vorm te geven. De ontwerper schetst wat kan zijn en als deze idee materialiseert draagt dat bij aan de vorm van al het zijnde. De ontwerper transformeert de omgeving. De ontwerper creeërt, vormt in kunstzinnige zin en maakt dusdoende wat nog niet was. De esthetica zal praktisch daarbij dan wel eens de slag verliezen van de eisen van functionaliteit en zeker ook van financiële mogelijkheden, zij staat in de idee van de ontwerper voorop. Dat neemt natuurlijk niet weg dat ook esthetiek nader gedefinieerd moet worden, en mogelijk is daarbij dat esthetica gegeven is wanneer vorm en functie op de best mogelijke wijze samenhangen, aldus de aartsvader van de architectuur Vitruvius. Toch blijft op deze esthetische mogelijkheid, de beroepstrots van de ontwerper – of tenminste van degenen die ik ter voorbereiding op deze bijdrage las – berusten.

Het is het vermogen tot mimesis; tot nabootsing, het wezen van de omzetting van de idee in het ambacht. Trots is de ontwerper omdat de idee nu tot het werkelijk bestaande is geworden. Bewust refereer ik hier aan de Plato’s Politieia. In deze kritiek keert Plato zich, bij monde van Socrates, tegen de kunst en geeft hij een indeling van de kunsten, waarbij bijvoorbeeld de schilder slechts een ondergeschikte rol toekomt. Deze reproduceert immers alleen bij wege van het ‘maken van dingen’, zonder echter over werkelijke kennis omtrent de afgebeelde voorwepen te beschikken. In deze zin acht Plato een meubelmaker veel hoger, want deze is direct op het oerbeeld, de idee, betrokken. De stedebouwkundig ontwerper mag het zich aantrekken; academisch gevormd, met de pretentie van de wetenschappelijke methode, rekent hij zich eerst en vooral tot zijn ambacht. In zijn boek Noties stelt Jo Coenen bijvoorbeeld dat de architect vakman moet zijn in de ruimste zin van het woord.

Bezien wij nu de positie van enkele van deze beroemde ontwerpers, dan zitten daarin meerdere vooronderstellingen opgesloten. In de eerste plaats een ‘in de tijd zijn’, noodzakelijk omdat de idee (van het ontwerp) een interpretatie van het zijnde inhoudt. De ontwerper meent de wereld te kennen zoals zij is, om haar dan te verrijken met iets nieuws. In een vraaggesprek met Anna Tilroe, merkt de beroemde ontwerper REM Koolhaas bijvoorbeeld op dat het hem gaat om: “het ontwikkelen van een bepaalde intelligentie van de wereld”, waarmee hij bij zichzelf kennis van die wereld veronderstelt. Even later in het zelfde interview stelt hij een relatie aan te willen gaan met “de wereld zoals hij nu is”. Alweer, impliciet, stelt Koolhaas niet enkel dat de wereld is maar ook dat hij deze kent of tenminste kan kennen. Deze eerste veronderstelling brengt een tweede met zich mee, namelijk wat ik hier een premisse van onthistorisering en waarderingsvrijheid noem. De ontwerper eist de vrijheid op de wereld te interpreteren zoals zij – volgens hem of haar – is, en deze als zodanig ook vrijelijk te waarderen. Om deze reden meent de architect wel te moeten onthistoriseren, omdat de geschiedenis beperkingen oplegt voor een vrij gebruik. En zij doet dat niet alleen in de vorm van de verstilde materie ofwel de gebouwde omgeving. Ook spreekt de geschiedenis van de gebouwde omgeving door de materie in de taal van de ontwerpers die daar ooit verantwoordelijk voor waren. Ook van de historische stad moeten we aannemen dat zij gevormd is op grond van de ideeen van de toenmalige ontwerpers. De verstandige ontwerper zal – soms knarsetandend – die gebouwde omgeving voor lief moeten nemen; haar als een gegeven moeten aanzien. Vanuit de eigen waardering, de waarderingsvrijheid, verbindt de ontwerper beide vooronderstellingen tot één nieuwe, namelijk de verwerping van hetgeen uit de gebouwde omgeving geleerd kan worden.

Daarmee suggereer ik niet dat alle ontwerpers dom of eigenwijs zijn. Ik bedoel veel meer dat zij de moraliteit van het bestaande verwerpen. De architect zal menen dat de wereld is zoals zij is, maar de verantwoordelijkheid verwerpen zich door die wereld te laten voorschrijven wat te denken of beter nog, wat te ontwerpen. De meeste moderne ontwerpers hanteren deze vooronderstellingen overigens in alle bescheidenheid. De (voorlopers van de) Avant Garde in Italie aan het begin van de vorige eeuw hanteerden deze uitgangspunten radicaal. Van Marinetti is zijn bijdrage aan het futuristisch manifest bekend geworden, waarin de futuristen oproepen om tot een totale vernietiging van de bestaande cultuur te komen. Naar zij menen is een waarlijk nieuw ontwerp immers niet mogelijk, indien de last van de geschiedenis wordt gecultiveerd en het zodoende onmogelijk wordt constructief te (be)denken.

Hoe dienen deze vooronderstellingen nu gewaardeerd? In de eerste plaats zijn ook ontwerpers mensen, zoals ik al opmerkte, en is het ook hen niet mogelijk zich los te maken van het lineaire tijdsbeeld. Begrijpen zij daarmee de tijd zoals deze is? Ik waag te betwijfelen of zij dat anders en beter doen dan willekeurig welke andere beroepsgroep dan ook. In deze tijd, onze tijd, is de aanwezigheid van het zijnde, al wat is, te groot om daar zelfs maar de pretentie van te mogen hebben deze te zien of te percipiëren. Wat feitelijk wenselijk zou zijn, is dat naar ik meen nooit: een buiten de tijd zijn en als het ware “van buiten” naar de dingen kijken. Meer moeite heb ik met de tweede veronderstelling van onthistorisering. Mijn eerste bezwaar is dat de mens, ook de ontwerper, een deel van die wereld is, deze mede vorm geeft maar vooral ook door haar is vorm gegeven. Of we dat nu leuk vinden of niet; mensen zijn een produkt van de geschiedenis, en al hetgeen we weten, hebben geleerd en denken is er de resultante van. Van Adolf Loos en ook Loyd Wright is bekend dat ze meenden dat het ontwerp een synthese was van het ‘ verhaal’ van de ontwerper op basis van het ‘verhaal’ van de opdrachtgever. In de Nederlandse taal vertellen wij zo een liefdesverhaal maar buiten onze taal wordt een dergelijk verhaal ogenblikkelijk geschiedenis. In het Frans een ‘histoire d’amour’ en in het Duits ‘ eine Liebesgeschichte’.

De postmoderne kritiek op de geschiedenis van het ‘grote verhaal’ is bij dat al wellicht op zijn plaats. Het is onmogelijk gebleken om geschiedenis te schrijven of zelfs maar te beleven ‘zoals zij is geweest’. Dat is immers een soort boodschappenlijstje van feiten; een droge opsomming. Daarbij blijken de grote verhalen van de geschiedenis een soort verborgen moraal, al is het maar omdat zij trachten te interpreteren wat was, opdat daaruit iets geleerd kan worden voor de toekomst. Het gaat echter ook te ver om de geschiedenis te negeren, omdat zij impliciet altijd zou moraliseren. Ik ben een voorstander van waarderingsvrijheid maar maak bezwaar indien het uiteindelijk om een waardenvrijheid zou gaan. Indien de wereld zoals zij is al gekend zou kunnen worden (quod non), dan is zij een historische wereld, waarin de geschiedenis verantwoordelijk is voor veel van het zijnde.

Print dit artikel Print dit artikel

Categorie: Renovatie en onderhoud, Stedenbouw en architectuur| Reacties uitgeschakeld voor Ontwerpen en verhalen

Je kunt niet meer reageren!