Bestaande Woning Bouw






Ontwikkeling woonkwaliteit: van 1960 tot 1990

5 december, 2011 | door Martin Liebregts

Woningtypen als ordeningsprincipe (2)

De woningbouw heeft tot 1960 in het teken gestaan van soberheid. In de periode van de jaren zestig neemt de kwaliteit van de woningen toe, mede door de extra financiële ruimte die er ontstond door de economische groei. Pas in de jaren tachtig van de vorige eeuw is er weer sprake van een structurele terugval door de economische crisis. Tegelijkertijd ontstaat er in die periode belangstelling voor de aanpassing van de bestaande vooroorlogse woningbouw.

De jaren zestig

Vooral in de jaren zestig is duidelijk een ontwikkeling te constateren tot opvoering van de woningkwaliteit. De economische ontwikkeling had een dergelijk niveau bereikt, dat er weer ruimte was voor de opvoering van de bouwproductie zowel in kwantitatief als kwalitatief opzicht. Zo zien we dat de eisen in de ‘Model Bouw Verordening’ en ‘Voorschriften en Wenken’ van 1965 weer strenger zijn dan voorheen. De ontwikkeling in de nieuwbouw van woningwetwoningen is, dat zowel totale woonoppervlakte als de oppervlakte van de woonkamer en keuken vrijwel regelmatig gestegen is, met name na de invoering van de nieuwe ‘Voorschriften en Wenken’65 per 1 januari 1966.

   uit CD-jaarverslagen

Om voor de subsidiëring door de overheid in aanmerking te komen, moet het woningontwerp voldoen aan de ‘Voorschriften en Wenken’ van 1965. Door de ‘Voorschriften en Wenken’ van 1965 is een groot aantal normenbladen van het NNI (Nederlands Normalisatie Instituut) bindend verklaard. In de loop der tijd worden er andere bouwmaterialen en constructies toegepast. Daarvoor is het nodig de kwaliteitseisen, die de traditionele bouwmethoden impliciet bezaten, expliciet te maken. Een sleutelbegrip in de ‘Voorschriften en Wenken’ van 1965 is de term ‘verblijfseenheid’ dat als rekeneenheid wordt gebruikt, waarvan de hoogte van de subsidiëring in sterke mate afhankelijk is (1). Dus niet zoals voorheen is de huisvestingscapaciteit bepalend, maar de afmetingen van de vertrekken en hun overmaat. Dit heeft tot gevolg, dat het accent niet meer ligt in het aantal te plaatsen bedden en dus de afmeting van de slaapkamers, maar dat ook de afmeting van de woonkamer/keuken boven de minima een rol spelen bij de financiering en subsidiëring. Niet elke vierkante meter was van te voren op het departement reeds bestemd, zoals bij de ‘Voorschriften en Wenken’ 1951. De ruimere voorschriften pasten bij een in het algemeen gestegen welvaart. We zien dan ook dat vooral de oppervlakte van de woonkamer en de keuken sterk stijgen, respectievelijk van 21 m² en 7 m² in 1964 naar 26 m² en 8,6 m² in 1971 (woningwetwoningen). Naast woningkwaliteit speelt standaardisatie en normalisatie een belangrijkere rol. In ‘Voorschriften en Wenken’ 1965 wordt hierover gezegd: ‘Zolang er echter geen sprake is van normalisatie, standaardisatie en typebeperking van onderdelen kan er geen vraag van voldoende omvang ontstaan, die industriële productie en prefabricage van onderdelen economisch aantrekkelijk maakt (2). De industrialisatie van het bouwen wordt noodzakelijk beschouwd om te komen tot een verdere opvoering van de productie. De standaardisatie blijft niet beperkt tot die van afmetingen, ook de bouwkundige kwaliteit komt hieronder te vervallen: hiervoor wordt een greep gedaan naar de beschikbare NEN-normen.

Met name in de bouwnota Bogaers van 1963 ontvangt het niet traditioneel bouwen een stimulans. Opgemerkt wordt dat de snelle ontwikkeling in de bouwtechniek, samen met het streven naar grotere productieaantallen, het risico met zich meebracht dat aan de fundamentele bouwtechnische kwaliteitseisen niet altijd voldaan werd.

De jaren zeventig

Als we de ontwikkeling van het woonoppervlak vanaf 1970 bekijken, dan zien we dat dit zich aanvankelijk stabiliseert en in 1974 zelfs enigszins daalt, terwijl de voorzieningen op hetzelfde niveau blijven. Schijnbaar is het plafond bereikt; juist in de periode waarin het reële nettoloon zich stabiliseert en later zelfs daalt, gebeurt dit ook met de woonstandaard. Het accent wordt verlegd naar de oude woningvoorraad. In dit kader is het toch van belang te kijken naar de normontwikkeling. We zien dan dat er een stap teruggedaan is wat betreft de minimale woonoppervlakte. In ‘Voorschriften en Wenken’ 1965 wordt voor de woonoppervlakte naast een minimum – een optelling van de minimale oppervlakte per vertrek – bovendien een bepaalde ‘overmaat’ gegeven, die aan deze vertrekken moeten worden toebedeeld. In ‘Voorschriften en Wenken’ 1973 (Proeve) 1976 bepalen slechts nog de minimale oppervlakten van de vertrekken het totale minimum. Tevens is men afgestapt van de maatstaaf V.E. en is men overgestapt op het kameraantal, dat ook in de ‘Model Bouw Verordening’ werd gebruikt. Als we de minimale woonoppervlakte vergelijken bij een woning van 4,5 V.E. (‘Voorschriften en Wenken’ 1965) , oftewel vier kamers (exclusief keuken, ‘Voorschriften en Wenken’ 1976), van respectievelijk 61 m² en 56,4 m², dan zien we reeds een terugval (3). In ‘Voorschriften en Wenken’ 1976 wordt gesteld, dat het accent ligt zowel op de waarborging van een goed huisvestingsniveau als op die van een industriële productiewijze. Naast het garanderen van een bepaald minimum wil het ministerie met de ‘Voorschriften en Wenken’ de weg effenen voor de industrialisatie van de woningbouw. Industrialisatie is het argument om ten aanzien van bouw(onder)delen standaardisatie, normalisatie en typebeperking voor te schrijven. Met name de beperking van de bouwkosten wordt als motief aangevoerd. De standaardisatie moet een rationeler productieproces in de bouwnijverheid mede mogelijk maken (4). De functionele benadering van de woonkwaliteit en de rationalisatie of industrialisatie van de woningbouw prijken nog steeds op het verlanglijstje van de reeks naoorlogse bouwministers (5).

Een ontwikkeling die zich in de jaren zestig heeft ingezet, te weten de zogenaamde schaalvergroting, zet zich door in de jaren zeventig. Continuïteit in de bouwproductie is zowel voor de traditionele- als meer geïndustrialiseerde bouwmethoden belangrijk. Door de sterke daling van de woningbouwproductie in de laatste jaren is met name de systeembouw in een steeds moeilijker situatie terechtgekomen (althans op de Nederlandse bouwmarkt) (6/7).

De jaren tachtig

 

De ontwikkeling, die zo karakteristiek is voor de jaren tachtig, wordt medio jaren zeventig al ingezet. Of het nu om stedenbouw, architectuur of woningtypologie gaat. Een interessant voorbeeld is de HAT-woning (huishoudens alleenstaande en tweepersoonswoning). De massale verschuiving van een gezinsmaatschappij naar een samenleving, waarbij de een- en tweepersoonshuishoudens de meerderheid gingen vormen, leidde ertoe, in combinatie met een economische crisis, tot de uitvinding van de HAT-woning. Gewoon een bijzonder kleine woning. In de periode 1977-1983 vormde dit type woning ruim 20 procent van de sociale woningbouw (meer dan 75.000 woningen) (8).De gehele periode kenmerkt zich door ‘klein’ bouwen. Het is juist dit bezit dat de komende jaren om aandacht vraagt.

Bronnen
1. M. Priemus, ‘Bouwen en Wonen’
2. Voorschriften en Wenken 1965
3.

        a Bij de telling der kamers blijft de keuken buiten beschouwing

4. M.W.Ponsen, ‘Industrialisering van de woningbouw, een perspectief’, plan 1/ 1974
5. o.a. T. Steemers, ‘Voorschriften en wenken, van waarborg tot dwangbuis’, wonen-TA/BK, dec 1973
6. Bij de beschrijving van de kwaliteitsontwikkeling tot en met de zeventigerjaren is gebruik gemaakt van twee teksten:
– Martin Liebregts, ‘Volkshuisvesting en de ontwerpkeuze van wonen’, op genomen in reader: ‘Ontwerpen van woningen nu en in de toekomst’, AvBr1985
– Martin Liebregts e.a., ‘Renovatie en Volkshuisvesting’, afstudeerverslag TU/e, 1976
7. Van systeemwoning naar concept: een ogenschijnlijke herhaling, M. Liebregts en Y. van Bergen, kennisbank bestaande woningbouw, 7 juli 2011
In Nederland zijn in die periode 1945-1975 circa 450 duizend systeemwoningen gebouwd, ofwel 15 procent van de gerealiseerde woningvoorraad in de periode. Op zijn hoogtepunt bedroeg het aandeel ruim 20 procent.
8. N. de Vreeze, ‘Woningbouw, inspiratie & ambities’, NWR, 1993

Print dit artikel Print dit artikel

Categorie: Kwaliteiten, Stedenbouw en architectuur, Voorraad, woningtype als ordeningsprincipe| 1 Reactie »

Een reactie op “Ontwikkeling woonkwaliteit: van 1960 tot 1990”

  1. Reactie door: André Thomsen 6 december, 2011 om 13:24

    Dag Martien,

    Weer een mooi stukje. In hoofdlijnen keurig in lijn met de dissertatie van Christ Thijssen uit 1990 dat nog steeds geldt als het wetenschappelijke standaardwerk over de oudere naoorlogse woningvoorraad. Dat zal wel zo blijven want zijn onderzoek was gebaseerd op een uitgebreide steekproef uit de V-dossiers in Zwolle. Omdat die dossiers ondanks heftig protest destijds verniegd zijn (cf de Archiefwet: de overheid hoeft maar 1 archief te bewaren, een onderzoeker moet nu dus alle afzonderlijke archieven van de gemeenten langs!) en de steekproef bij de brand van Bouwkunde is verbrand zijn er geen andere oorspronkelijke kwalitatieve bronnen meer beschikbaar.
    Het valt me op dat je Thijssen niet als bron noemt. Als je zijn boekjes niet hebt krijg je ze een dezer dag van me kado.

    Hartelijke groet, André Thomsen