Bestaande Woning Bouw






REFLECTIE: SCHOONHEID, UITERLIJK OF HARMONIE

17 januari, 2012 | door Martin Liebregts

Een serie over de beeldkwaliteit – 1 –

Het was een tekst van Roger Scruton, die me ertoe verleidde dit artikel te schrijven. In het boek Schoonheid stelt hij ergens: ‘In de stedenbouw is het doel in eerste instantie dat dingen in hun omgeving passen, niet dat ze sterk opvallen… En als je wilt opvallen, moet je de aandacht die je vraagt ook waard zijn.’
Het gaat dus om alledaagse schoonheid, die verband houdt met een vorm van passendheid of harmonie, los van de smaak van de afzonderlijke personen. Want hoe vaak hoor je: ‘ik vind het niet mooi’, of ‘ik vind het mooi’. Zeker bij aanpassing van de gebouwde omgeving probeer je uit te stijgen boven het waardeoordeel van de individuele smaak. Het is vooral zoeken naar de objectieve maatstaf, die bij de beeldkwaliteit een rol speelt. En de vraag is of die bestaat, los van de tijdgeest of het moment van de mode.

Het probleem in de dagelijkse praktijk van kwaliteitsaanpassing is dat iedereen er iets van mag vinden en dat met al die (voor-)oordelen rekening gehouden moet worden, wil er draagvlak ontstaan.
Iedereen roept bij aanpassing van de woningvoorraad dat het gaat om uitstraling of uiterlijk. Maar hoe krijg je hier als maatschappij greep op, zonder te vervallen in paternalisme of bevoogding? Niet voor niets is er maatschappelijk een brede steun voor de opheffing van de welstandscommissie, die soms tot een sterke vorm van bevoogding neigde. Maar toch willen we met z’n allen dat dingen in hun omgeving passen. Deze serie is een eerste poging om te kijken of hier nieuwe wegen voor bewandeld moeten worden, zonder te vervallen in een Poolse landdag. Maar laten we bij voorbaat als professional nooit meer zeggen: ‘ik vind het niet mooi, dus het kan niet of het mag niet’.

De serie over de beeldkwaliteit zal de volgende onderwerpen aanstippen:

De verworvenheid van al deze aspecten biedt ruimte voor het verhaal over de beeldkwaliteit van de gebouwde omgeving, waarbij de dilemma’s rond schoonheid, uiterlijk of harmonie een relatie krijgen. Juist in dit verhaal ontstaat er ruimte om er over te verhalen.

Print dit artikel Print dit artikel

Categorie: Kwaliteiten, Renovatie en onderhoud, Stedenbouw en architectuur| 1 Reactie »

Een reactie op “REFLECTIE: SCHOONHEID, UITERLIJK OF HARMONIE”

  1. Reactie door: Flip ten Cate 18 januari, 2012 om 13:00

    Een boeiend artikel, dat terecht vaststelt dat schoonheid niet bevoogdend door een enkeling mag worden opgelegd.
    Mij bevreemdt de zin “Niet voor niets is er maatschappelijk een brede steun voor de opheffing van de welstandscommissie”. Waar blijkt dat uit? Onderzoeken van het ministerie en van de Federatie Welstand, reacties op voorstellen tot opheffen van welstand (bijv in Eindhoven) wijzen op een overweldigende steun voor het belang van welstandsadvieswerk (gemiddeld tussen de 80 en 95% ondersteunt het werk), en ook de manier van werken wordt door het overgrote deel van de ondervraagden zeer positief beoordeeld.
    Dat neemt niet weg dat het imago van welstandscommissies slecht is.
    Liebregts zegt dat ‘samenhang’ leidt tot meerwaarde. Heel vaak is dat zo, maar niet overal. Dat is juist het bijzondere van kwaliteit, wat op de ene plaats kwaliteit en schoonheid heeft, heeft dat op de andere (soms) niet. Er zijn gebieden die juist vanwege het feit dat ieder perceel zijn eigen extravagantie heeft, aantrekkelijk zijn, maar over het algemeen zal een gebied waar elk gebouw staat te schreeuwen om aandacht, juist heel rommelig en chaotisch overkomen.
    Dankzij het feit dat we al een eeuw lang zo nauwkeurig op de beeldkwaliteit letten is in Nederland de kwaliteit van het ‘gewone’, van het ‘banale’, zoals Adolf Loos het noemt, zo uitzonderlijk goed. De topstukken van onze architectuur ontstaan bij de gratie van deze gewoonheid.
    Het beoordelen van vernieuwing in bestaande context is uitermate lastig. Vernieuwing doorbreekt immers per definitie de bestaande harmonie. Het is de opgave van de ontwerper/opdrachtgever om dat te doen met respect voor de bestaande harmonie, terwijl het tegelijkertijd zijn culturele opdracht is om niet te kopiëren, maar om een eigentijdse culturele en maatschappelijke daad te stellen. Niet iedereen zal in dat eigentijdse antwoord altijd de kwaliteit onderkennen – de architect zal er vaak sterker van overtuigd zijn dan de beoordelende overheid, en die is al meer onderlegd dan de leken-beoordelaar.
    Omdat het óók gaat om architectonische kwaliteit is expertise wel gewenst. Vernieuwing in de kunst wordt vaak aanvankelijk niet gewaardeerd om na verloop van tijd, soms, tot de top te stijgen. Architectuur is geen vrije kunst, maar het is wel een kunst. Er zijn daarbij gebouwen die somber zijn, of ongenaakbaar, maar desondanks grote kwaliteit hebben die op den duur wellicht als schoonheid kan worden beoordeeld. Voorbeeld: het holocaust-centrum van bOb van Reeth in Mechelen.
    Er zijn andere gebouwen die bij oplevering hogelijk gewaardeerd worden, maar al vrij snel door de mand vallen wegens armoedig materiaalgebruik, slechte detaillering of gebrekkig vakmanschap in de uitvoerende bouw (zoals een makelaar onlangs zei: een nieuw ‘jaren dertig-huis’ is alleen goed als het geen slap aftreksel is, maar een écht jaren-dertig-huis).

    Ik ben benieuwd naar het vervolg van de serie!