Bestaande Woning Bouw






Slapende steden wakker schudden; Van wonen naar leven in drie stappen

30 november, 2011 | door Haico van Nunen

auteurs: Haico van Nunen en Yuri van Bergen

Stap 1

De gemiddelde jarenzestigwijk is nu circa vijfenveertig jaar oud en aan de derde aanpassingscyclus toe. Na zo’n vijftien jaar is de installatie onderhanden genomen of nieuw aangebracht. Vervolgens zijn na dertig jaar het toilet, de badkamer en de keuken aangepakt. Nu is technisch gesproken de schil – het dak en de gevel aan de beurt. Voldoende reden om stil te staan bij de gewenste toekomst van deze wijken. Want juist de ingreep na zo’n vijfenveertig jaar fixeert de mogelijkheden op de lange termijn sterk.

De jaren zestig brengen meerdere gevoelens naar boven. Denk alleen al aan de kenmerkende muziek, die nu nog steeds actueel is. Het was de periode dat licht, lucht en ruimte voor het wonen eindelijk betekenis kreeg voor grote groepen van de samenleving. In tien jaar tijd is de woningvoorraad met meer dan een kwart vergroot; een gigantische maatschappelijke prestatie. Ook nu kunnen we trots zijn op deze wijken die over vele kwaliteiten beschikken.

Gezien de korte tijd waarin de wijken gerealiseerd zijn en gezien de sterke vooruitgangsgedachte die deze periode domineerde is het niet verbazingwekkend dat we er nu even bij stil staan en tijd inruimen voor bezinning. De centrale vraag is: hoe kunnen deze wijken met gebruik van hun uitzonderlijke kwaliteiten (met ruimte in de eerste plaats) een toekomst geven?

Nu vijfenveertig jaar later is de vraag wat er van de droom van een maakbare samenleving over is en welke aanpassingen nu benodigd zijn om in het dagelijkse leven van de 21e eeuw hun bijdrage te kunnen leveren aan de realisatie van de droom van zijn bewoners, dat wil zeggen een plek waar men graag woont. Wat is er nu te zeggen over de wijken van de jaren zestig?

Stedenbouw

In de jaren zestig wijken probeerde men een scheiding aan te brengen tussen het doorgaande autoverkeer en het wonen. Binnen de wijk-/buurtuitvalswegen werden zich herhalende stedenbouwkundige eenheden, zogenaamde stempels, aangebracht, met woonstraten en veelal met gebruik van meerdere woongebouwtypen. Al het doorgaande verkeer wordt buiten de buurt om geleid, waardoor een rustig woongebied is gerealiseerd, met een zo groot mogelijke veiligheid voor de jeugd.
Elke buurt of wijk wordt gekenmerkt door zijn eigen specifieke stempels. Maar voor bijna alle stempels geldt, dat er woonstraten en/of woonerven gerealiseerd worden, die vrij blijven van (doorgaand) gemotoriseerd verkeer.

Groen

De groenvoorzieningen worden gedragen door bomen, die door hun leeftijd indruk maken. Maar het gebruik ervan is beperkt.
Ondanks de toename van het autogebruik blijven de buurten en wijken toch een ‘leeg’ beeld oproepen. Deels wordt dit veroorzaakt door de afname van het aantal bewoners (ongeveer halvering) en de vervanging van gezinnen door een- en tweepersoonshuishoudens. Bijna niemand is overdag aanwezig. Het is stil geworden. Met andere woorden, gebruikers van het verleden – vaak moeders en kinderen – zijn verdwenen. En de auto’s, die ’s avonds de omgeving in beslag nemen, veranderen niets aan dit beeld.
Het wordt dus belangrijk vanuit het nieuwe gebruik te kijken naar de beschikbare fysieke ruimte en te onderzoeken hoe dit beter benut kan worden. Het beter benutten begint met de (her)waardering van het aanwezige groencasco. In dat opzicht zijn het imponerende wijken met bomen van vijftig tot zestig jaar oud.

Woning

De uniformiteit van het doorzontype is dominant. En dan gaat het niet in de eerste plaats om de plattegrond, want dat spreekt voor zich, maar om het beeld en de grootte. Het perceel van een tussenwoning is in heel Nederland circa 150 m2 met voor- en achtertuin. De begane grond varieert tussen de 45 m2 en 55 m2 bruto vloeroppervlak. Er zijn drie dakkappen te onderscheiden. En dat is het. Als je dit op een rij zet is er voldoende mogelijkheid om te differentiëren in de toekomst. Zowel qua uitbouw, aanbouw als dakopbouw is een volume van 50 m3 toe te voegen, in totaal kan de woning van 300 m3 naar 450 m3 vergroot worden. Ook het beeld, ofwel de gevelarchitectuur, biedt alle ruimte. Er is dus voldoende ruimte voor transformatie – al of niet in combinatie met een grotere mate van individualiteit – van het bestaande beeld met behoud van de oorspronkelijke eigenschappen ‘huisje, boompje, beestje’.
De plattegrond van de doorzonwoning heeft dus alle eigenschappen om hier de volgende generatie passend woonplezier te bieden.

Uitstraling

Met de architectuur van de afzonderlijke woning is niets mis. De verhoudingen van de gevels kloppen. Met zorg is er vormgegeven aan de principes van het Moderne Bouwen. Alleen de hellende daken verwijzen nog naar het verleden en onze bouwcultuur. In die zin onderscheiden de jaren zestig zich van de periode erna, waar er vaak minder respect was, qua textuur en geleding, voor de wetten van de schoonheid.
Nog steeds kunnen de eenvoud en de herhaling beroeren als uitdrukking van een machine, de gelijkheid en de zoektocht naar de essentiële eenvoud. Maar de herhaling waarover het zich uitstrekt, is qua omvang in de huidige beleving te groot. Het duidelijk te onderscheiden ensemble ontbreekt als het ware en alleen de kenner ziet nog het verschil.

Van collectief naar individueel

In de jaren vijftig en zestig domineerde de ligusterhaag de tuinen van de rijtjeswoning, soms afgewisseld met meidoorn, beukenhaag of laurierkers. Het groene karakter van de wijken werd er extra door versterkt. Een goed geknipte ligusterhaag was de toets van bijna elke bewoner.
De bewoners waren een soort pioniers, die de grootschalige stadsuitbreidingen gingen bewonen. Zij combineerden de nieuw verworven luxe met de traditie uit het verleden. De ligusterhaag was hiervoor het symbool. De paaltjes met draad vormden de lijn waarop de plantjes uitgezet werden. Maar nu, zoveel jaren later, is er veel veranderd. De bewoner woont meer op zichzelf en van een gemeenschap is niet zonder meer sprake. In zo’n situatie probeert eenieder zoveel grond goed omheind te krijgen door de nieuwe gamma-cultuur (uniforme houten erfafscheidingen).

Deze jaren zestig wijken zijn in hun opzet goed. Er is tussen de jaren zestig en nu veel veranderd. Maar kijkend naar de toekomst gaat er nog meer veranderen. De maatschappij verandert, net als dat de laatste vijfenveertig jaar is gebeurd. Maar de wijk, de buurt, het complex en de individuele woning zullen er nog steeds zijn. De vraag is hoe de aanwezige kwaliteiten getoond kunnen worden. Hoe kan de stad die in slaap gevallen is weer wakker en alert worden?

Stap 2
Waarom ontwaken

Net zoals er een grote vraag aan nieuwbouw ontstond, zo komt nu de vraag naar aanpassingen van de voorraad aan bod. Een woning uit 1960 is nu vijftig jaar oud en komt in aanmerking voor grotere ingrepen. De geschiedenis herhaalt zich, maar nu niet met nieuwbouw, maar met een grote renovatieopgave. Tijdens de naoorlogse periode onderkende men die woningbouwopgave en is men op zoek gegaan naar nieuwe (bouw)systemen om aan de grote vraag te kunnen voldoen. Ten tijde van de wederopbouw onderkende men de bouwopgave en zijn er innovaties geleverd voor nieuwbouw. Soortgelijke innovaties zijn ook nu nodig, maar dan gericht op renovatie. De huidige tijden zijn anders, het gaat niet alleen meer om kwantiteit. Het gaat er om kwaliteit te kunnen bieden en dan ook nog eens kwaliteit op maat (individueel). Daar komt bij dat er voor deze woningen nog een lange toekomst ligt. Ze zijn pas op de helft van hun levensduur. De ingrepen van dit moment moeten dan ook de oplossing bieden voor de verre toekomst.

Het renoveren van woningen is een kans op verbetering. Verbetering van de woning, intern en extern, met als gevolg meer comfort, meer uitstraling en meer woongemak. Daar komt bij dat verbetering van de woning uitstraalt naar de rest van de buurt. Het levert een verbetering van de woonomgeving op, waardoor de waardeontwikkeling van de buurt toeneemt (1). Op termijn wordt daarmee de woning en de buurt opgewaardeerd, met als gevolg dat het weer een prettige omgeving is om in te wonen.

Opgave

De wijk in zijn huidige vorm laat een wisselend beeld zien. De uniformiteit van weleer staat er nog steeds. Het groene casco staat er ook nog steeds, maar is gegroeid. Maar het strakke en eensluidende is door de jaren heen verslapt. Nu heeft de auto een dominerende rol in het straatbeeld. Voorzieningen op wijkniveau zijn verdwenen. Denk aan de winkelcentra, scholen en kerken. Het is tijd om de boel weer wakker te schudden en een impuls met nieuwe kwaliteiten toe te voegen. Het gaat er dan niet alleen om dat de kwaliteiten hersteld worden, er moeten kwaliteiten worden toegevoegd. Kwaliteitsaspecten die wij vandaag de dag belangrijk achten. Denk hierbij aan licht, lucht en ruimte. Deels dezelfde kwaliteiten als in de stedenbouw van de jaren zestig, maar nu ook vertaald naar de woning. Dit wordt ondersteund door thema’s zoals gezondheid, bedieningsgemak en indelingsvariantie. Er is dan wel een renovatieopgave die opgepakt dient te worden.

Serie van één

De uniformiteit van het doorzontype is dominant. Maar deze uniformiteit biedt kansen. Als de verschillen tussen de woningen zo klein zijn, dan wordt het makkelijker om een gestandaardiseerde oplossing te bedenken. In de wederopbouwperiode vormde standaardisatie de oplossing door veel van hetzelfde neer te zetten. Nu kunnen we vanuit die basis vertrekken. Maar in tegenstelling tot de uniforme woningen die destijds gebouwd werden, mag de renovatie nu juist variatie naar buiten brengen. Het gaat er dan ook om dat er een serie van één mogelijk wordt gemaakt (2).

Stap 3
Levensduurdenken

Het renoveren van de woningen past goed in het totaalbeeld van levensduurdenken. De Nederlandse woning gaat gemiddeld 120 jaar mee. Gedurende die totale levensduur wordt de woning gebouwd en onderhouden, maar ook aangepast aan de wensen van dat moment. Dat maakt dat de bestaande woningvoorraad over een langere tijd gewenst is. Er zal wel telkens een kwaliteitsimpuls nodig zijn. Uit de praktijk blijkt dat een cyclus van 15 jaar veel voorkomt. Maar juist op veelvouden daarvan zijn er voor woningen grotere ingrepen nodig. Onder meer kozijnen en daken zijn aan vervanging. Dit houdt in dat de verbeteropgave voor de naoorlogse woningbouw kansen biedt om het voor de lange termijn goed te doen.
Het verbeteren van de bestaande voorraad is iets wat met een blik naar de verre toekomst moet gebeuren, alleen dan kan er ook een grote slag gemaakt worden. Enkel de korte termijn beschouwen geeft een drastische beperking van de opties.


De aanpak van binnenstedelijke gebieden, gaat niet meer over tien of twintig jaar, maar over eeuwen. Daarom moet je het huidige gebruik in kaart brengen en koppelen aan de juiste verhalen voor de toekomst. Als je dit goed doet, creëer je alleen nog maar monumenten: hoogwaardige, cultuurhistorische gebouwen waaraan men in de toekomst grote waarde hecht.
Binnenstedelijk bouwen gaat erom te kijken wat nu waarde heeft en welke waarde we hieraan willen toevoegen. Als je in het heden zorgt dat men in de toekomst nog hoge waarde aan de woonwijken hecht, zal er geen behoefte meer zijn om het gebouw te slopen. De vraag wat je van het verleden behoudt en wat je toevoegt, bepaalt dus ook wat je nu kunt toevoegen, zodat we het gebouw in de toekomst laten staan.

Drietrapsraket

De oplossingen die nu gekozen worden, moeten dan ook de korte termijn overstijgen. Dit betekent dat er ook andere afwegingeng worden gemaakt. Het is niet alleen van belang om te weten welke doelgroep er nu woont in de woning, maar ook welke doelgroep er over tien of twintig jaar in deze woning woont. De kwaliteit die op dit moment wordt aangebracht moet hoogwaardig zijn. De gerenoveerde woning moet voorzien in een woningbehoefte voor meer dan vijftig jaar, zonder noemenswaardige aanpassingen.

Om de toekomst in te gaan zijn er nieuwe prestaties nodig. In de nieuwbouw wil men in het nieuwe Bouwbesluit naar een Rc van 5,0 toe (3). In de bestaande bouw redden we het dan niet meer met alleen isolatieglas en een gevulde spouw. Vanuit Brussel wordt in de EPBD-recast (4) voor de nieuwbouw vanaf 2020 gevraagd om ‘nearly zero’ woningen. Dit betekent dat er voor de nieuwbouw de komende jaren de energieprestaties toe zullen nemen (onder druk van de regelgeving). Willen we met de bestaande bouw de concurrentie aangegaan met de nieuwbouw, dan moet daar ook een passende oplossing bij komen. Vanuit Brussel zijn daar nog geen strikte eisen voor gegeven. Het is echter een hele opgave (en investering) om in een keer die grote sprong te maken. Daarom moet het prestatieniveau van de woning mee kunnen groeien in de tijd. Dit kun je ook benaderen met een soort drietrapsraket, die uiteindelijk zorgt dat je het einddoel haalt. Het eerste niveau gaat uit van een energiereductie van 50%. De tweede stap is een reductie van 100%, de woning wordt daarmee energieneutraal. Dit is vergelijkbaar met de overheidsdoelstelling om de EPC voor nieuwbouw naar 0 te brengen in 2020. Ook voor de renovatiemarkt zou 2020 daar een goed richtpunt voor zijn.
De laatste trap van de raket gaat er van uit om de woningen toeleverend te maken. Energieopwekking in de vorm van warmte of elektriciteit zorgt voor een lokale opwekking. Dit kan op woningniveau zijn, maar het is niet uit te sluiten dat hier de buurt en/of wijk ook een rol in speelt.
Deze drietrapsraket kan verder uitgewerkt worden in verschillende aanpakken, bijvoorbeeld Solar Solutions Light (1e trap), Solar Solutions + (2e trap) en Solar Solutions ++ (3e trap). Allemaal geschikt voor renovatietoepassingen en waarbij verschillende ingrepen mogelijk zijn.

Kwaliteit in de tijd

Duurzaamheid is de laatste jaren het trendwoord. De vraag is dan direct wat men er mee bedoelt. Ondertussen is namelijk alles groen, goed voor het milieu of in ieder geval verantwoord. Kijken we naar wat duurzaam en duurzaamheid van oudsher betekent dan komen we bij drie begrippen uit die Vitruvius al beschreef: Utilitas, Firmitas en Venustas (5). Het gebouw, de buurt, de wijk en de stad, allemaal moeten ze functioneel en bruikbaar zijn (Utilitas), ze moeten sterk en stevig zijn en lang mee kunnen gaan (Firmitas), maar vooral moeten ze mooi zijn en een prettig beeld voor de omgeving vormen (Venustas). Als men met plezier ergens woont is men ook genegen om daar goed mee om te gaan. Het onderhoud en de verbetering van de woning worden dan eerder uitgevoerd. De structuur van de jaren zestig wijk voldoet aan deze drie begrippen. Er is voldoende ruimte beschikbaar. Zowel in de wijk als in de woning (eventueel op het perceel). De kwaliteit van de woningen moet op onderdelen aangepast worden, dat is inherent aan de leeftijd die de woningen hebben. De hoofd(draag)structuur is echter goed. De woningen zijn uniform gebouwd, maar met nieuw impulsen kan deze uniformiteit worden veranderd in een individuele beeld, met een uitstraling naar de wijk. Hiervoor kunnen woningen grondig worden gerenoveerd of getransformeerd.

Toekomstbeeld: slapende steden wakker schudden

Het aanpassen van de naoorlogse wijken biedt een mogelijkheid om kwaliteit toe te voegen aan de wijk en de afzonderlijke complexen. Met afgestemde oplossingen (concepten) kan er invulling gegeven worden aan dit toekomstbeeld. Door in drie trappen te werken kan die toekomst door de tijd stap voor stap worden ingevuld naar behoefte van de gebruiker. Hierbij zijn ingrepen op verschillende niveaus mogelijk. Dit moet langzaam groeien. Verbetering van een deel van de wijk straalt uit naar de rest. Misschien kunnen de winkelcentra van weleer nieuw leven worden ingeblazen door ze te benutten als landmark voor de omgeving. Het zijn (van afstand) duidelijk herkenbare entiteiten, al dan niet gekoppeld aan hoogbouw. Als deze landmarks er van oudsher niet zijn kan een ander kenmerkend onderdeel van de wijk als startpunt genomen worden. Met vernieuwen van deze landmarks maak je een begin voor het ontwaken van de wijk.

Bronnen

1. bestaandewoningbouw.nl/waardenontwikkeling-woningvoorraad/
2. bestaandewoningbouw.nl/op-zoek-naar-de-serie-van-een/
bestaandewoningbouw.nl/de-nieuwe-horizon-voor-de-serie-van-een/
3. bouwwereld.nl/nieuws/minimale-isolatiewaarde-naar-rc-50/
4. eceee.org/buildings/EPBD_Recast
5. Handboek voor de bouw, Vitruvius, vertaald door Ton Petrus, Amsterdam 2007.
6. Stap 1 uit dit artikel is gebaseerd op ‘de sixties in woord en beeld’ Renda special 2011/1 ‘Wonen in de sixties’

Print dit artikel Print dit artikel

Categorie: Duurzaamheid, Kwaliteiten, Voorraad| Reacties uitgeschakeld voor Slapende steden wakker schudden; Van wonen naar leven in drie stappen

Je kunt niet meer reageren!