Bestaande Woning Bouw






TUSSEN ORNAMENT EN TRADITIE

30 maart, 2011 | door Martin Liebregts

op zoek naar een plek om te wonen 3

Het weekend is er voor om de kranten extra door te nemen. Een aardig artikel in het NRC van 19 maart jl. was dat van Bernard Hulsman, met als titel: Rijk bouwen in arme tijden. Het artikel ging over de smaaktest van de bewoners in Haarlem, over hun eigen buurt. De woningen uit de jaren 1945-1990 kregen allemaal een onvoldoende: gemiddeld een viereneenhalf op de schaal van 1 tot en met 10. Bijzonderheden, die uit deze smaaktest naar voren kwamen, zijn:

De lelijkste wijk van Haarlem kreeg een waardering van 3,9 en de mooiste lag boven een 7 (een range van circa 3 punten).

Deze aanloop was nodig omdat het bij de eigenheid van woonmilieus gaat om die eigenschappen waarmee bewoners zich graag identificeren.
Nu is de eigenheid van een woonmilieu meer dan de optelling van afzonderlijke eigenschappen. Te denken valt aan de ligging ten opzichte van de stad, de stedenbouwkundige verkaveling/opzet, de cultuurhistorische betekenis e.d.
Om hier een beeld van te geven, worden er drie woonmilieus nader belicht in relatie tot de eigenheid: (binnen)stedelijk milieu, (vooroorlogs) traditioneel tuindorp en (naoorlogse) moderne tuinwijk.

Een overpeinzing vooraf

De reden om even stil te staan bij de begrippen over ons milieu was de herintroductie van het woord ‘brink’. De oorspronkelijke betekenis ervan is een centrale, open, groene ruimte in een dorp, waar ‘s nachts het vee verbleef en die veelal was beplant met eiken (bouwhout). Andere woorden hiervoor waren plaetse (plaats), heuvel en in latere tijden soms aangeduid met Frankische driehoek.
Ik had deze intro nodig om te zeggen dat termen uit het verleden gebruikt worden om de ‘nieuwe’ gemeenschappelijkheid een vertrouwd karakter te geven. De oude brink heeft al bij het ontstaan van tuindorpen, begin vorige eeuw, een tweede leven gehad en werd aangeduid met plein of ‘green’.
Voortdurend grijpen we terug naar het verleden als we de gebouwde omgeving her-/doorontwikkelen. Met het woord ‘retro’ doen we geen recht aan het zoeken naar die ruimte of dat beeldverhaal, wat we als prettig ervaren. Het suggereert dat het alleen gaat om nostalgische overwegingen (waar op zich niets mis mee is) (1). Ook de moderniteit kent nu al jaren zijn eigen specifieke retro of verwijzing naar het verleden.
Het zoeken is dus naar die eigenschappen, die horen bij onze droom over een plek om te wonen. En dan is het niet interessant of het nostalgisch, retro, modern, organisch of nieuw is. De tijd zal leren wat we als een prettig woonmilieu ervaren en dat is geen specialistische maar een maatschappelijke activiteit.

Het traditionele tuindorp, de woonstad en de moderne tuinwijk

Het traditionele tuindorp, de woonstad en de moderne tuinwijk zijn drie redelijke prototypen voor het woonmilieu uit de periode 1900-1975 en omvat ca. 55 procent van de totale woningvoorraad, met bijna 4 miljoen woningen. Ongeveer 1 miljoen woningen zijn van voor 1900 en ruim 3 miljoen woningen van na 1975. Het is juist het deel uit de periode 1900-1975 die voortdurend op de agenda staat bij kwaliteitsaanpassing en/of herontwikkeling.

Het traditionele tuindorp, met als uitlopers de jaren dertig wijken, is bij uitstek een geliefd woonmilieu. Het verschil tussen het traditionele tuindorp en de jaren dertig wijken is dat de eerste vooral gebouwd was voor de zogenaamde handarbeiders (volkshuisvestelijk) en de tweede vooral bestemd was voor de middenstand. In de jaren dertig van de vorige eeuw lag de sociale woningbouw ten gevolge van de crisis enigszins stil, of was zeer bescheiden, en domineerden de particuliere koop- en huurmarkt. De consument had (tijdelijk) een zeer belangrijke stem. Interessant is te vermelden dat het Witte Dorp in Eindhoven (Dudok) in eerste instantie met leegstand worstelde vanwege de crisis. En juist dat beetje extra zorgde ervoor dat het een positie kreeg.
Het traditionele tuindorp straalt iets organisch uit, alsof het zo gegroeid is. Veelal is er gebruik gemaakt van traditionele architectuur, met aandacht voor detail en ornament. Het groene karakter zorgde ervoor dat het tuindorp ogenschijnlijk dicht bij de natuur stond. Zowel de inrichting van de omgeving als die van erfafscheidingen onderstreepte dit.
Deze vorm van traditionele architectuur, met oog voor detail, een duidelijke scheiding tussen openbaar en privé en ruimte voor groen, boeit ook na zeventig of honderd jaar.

De woonstad zijn stedelijke gebieden, die in de periode 1900-1975 zijn ontwikkeld, en die in tegenstelling tot het tuindorp een relatief hoge dichtheid kennen (bijvoorbeeld Kinkerbuurt, Amsterdam Zuid). Kenmerken zijn functiemenging, duidelijke scheiding openbaar-privé, stedelijke allure.
Op dit moment zijn dit zeer gewilde wijken, zoals tot uitdrukking komt in de huizenprijzen. De architectuur heeft vaak een klassiek karakter.

 

 

De moderne tuinwijk dateert vooral uit de naoorlogse periode, waarbij licht, lucht en ruimte de boventoon voerden. Nieuwe verkavelingstypologieën, zoals strokenverkaveling en het toepassen van stempels, vinden hun intrede. Ook nu nog zijn het overheersende groene karakter en de aanwezigheid van open ruimte (veelal gemeenschappelijk) sterke eigenschappen. In deze wijken overheerst de moderne architectuur, die vaak een sterk uniformerend karakter heeft. Gelijkheid, wijkgedachte, functiescheiding zijn dominante begrippen geweest bij de inrichting van deze wijken. De kunst zal zijn met behoud van de eigenheid deze wijken opnieuw te positioneren. De wijken zijn ontstaan bij de ultieme gedachte van maakbaarheid van de samenleving en worden tegelijkertijd onderworpen aan de sterk veranderende eisen van de samenleving (multicultureel, individualiteit, roep om functiemenging). De kunst is om met oog voor de oorspronkelijke waarde van groene ruimten, die de tijd heeft doorstaan en op chirurgische wijze te zoeken naar de gewenste aanpassingen. Maar de ruimte blijft de belangrijkste eigenschap van de moderne tuinwijk.

 

Ornament en traditie

Het wonen is ingebed in de traditie. Zij zorgt nu eenmaal voor de ultieme zekerheid. Het is de plek waar we ons veilig willen voelen. Het is bij wijze van spreken een ritueel, waarvan de herkenbare vorm ons zekerheid geeft. Ornamenten horen daarbij en zijn de verbinding tussen verleden en toekomst. Vanuit deze gedachte zullen we ons steeds meer bewust moeten zijn dat vormgeven aan wonen altijd een inbedding in de traditie heeft. Wonen is geen experiment, maar is zekerheid.

Bronnen

1. ‘Nostalgie, romantiek of eigenheid’, kennisbank Bestaandewoningbouw.nl, Martin Liebregts, 19 oktober 2009
2. ‘De eigenheid van een woonmilieu’, kennisbank Bestaandewoningbouw.nl, Martin Liebregts, 10 maart 2011
3. ‘De zonering als begin van de eigenheid’, kennisbank Bestaandewoningbouw.nl, Martin Liebregts, 23 maart 2011

Print dit artikel Print dit artikel

Categorie: Renovatie en onderhoud, Stedenbouw en architectuur, Wonen| 1 Reactie »

Een reactie op “TUSSEN ORNAMENT EN TRADITIE”

  1. Reactie door: Anna 20 december, 2015 om 18:12

    s); })(); Op dinsdag 26 juni 2012 stond een groot opetsiinuk van onze Vonk Bastiaan Bretveld in Het laatste woord van het Parool. Lees hier zijn visie op de komende 4 jaar, tot 2016, waarna