Bestaande Woning Bouw






WONINGKWALITEIT IN DE TIJD: TOT EN MET 1960

2 december, 2011 | door Martin Liebregts

Woningtypen als ordeningsprincipe (1)

Bij de zoektocht naar de passende begrippen voor de omschrijving van woningtypen is het kunst om de waan van de dag achter je te laten. In de afgelopen decennia zijn vele woorden en begrippen geïntroduceerd, die in de tijd hun betekenis verloren hebben. Om de lezer hierbij een gevoel te geven, volgt hier een lijst van duidingen: aanleunwoning, gasthuis, groepswoning, HAT-woning, hofhuis, kangoeroewoning, noodwoning, semi-permanente woning, serviceflat, studentenflat, tandemwoning, verzorgingshuis, woon-werkwoning. En dit lijstje is nog met veel begrippen uit de afgelopen honderd jaar aan te vullen.

Deze beschouwing gaat daar niet over. Niet het specifieke gebruik is de leidraad, maar de ruimtelijke eigenschappen en de gebruiksmogelijkheden. De zoektocht is er op gericht om die kenmerken en eigenschappen van woningen en woongebouwen te benoemen, waardoor er sprake is van een onderscheidend geheel. Uiteindelijk is het doel van het ordenen meer begrip krijgen van de ons omringde wereld. Bij het begrip over de bestaande woningvoorraad gaat het om de huidige eigenschappen en de aanpassingsmogelijkheden aan de veranderende eisen (accommoderend vermogen). Dat is in essentie de betekenis van deze artikelenserie: ‘Woningtype als ordeningsprincipe’. Het eerste artikel van vijf gaat nader in op de geschiedenis van de woningkwaliteit, vervolgens komen de woningtypologieën aan bod om te eindigen bij de aanpassingsmogelijkheden van de bestaande woningvoorraad.

Bouwjaar als drager van kwaliteit

Het bouwjaar kenmerkte mede de kwaliteit van de woningen door de geldende voorschriften die op dat moment golden, de bouwtechniek die gehanteerd werd en niet te vergeten de economische ruimte die beschikbaar ofwel aangewend werd. Zo zijn in de naoorlogse wijken twee perioden te onderscheiden, waarbij, mede onder invloed van de economische situatie, kleiner werd gebouwd dan in de periode daarvoor: eind jaren veertig, begin jaren vijftig en eind jaren zeventig en de jaren tachtig van de vorige eeuw. Bij het gebruik van het bouwjaar als kenmerk van de te onderscheiden woningtypen, gebruiken we in eerste instantie de belangrijkste omslagmomenten in de voorschriften van de overheid:

1945 Diverse voorschriften, vervolgens is dat deel van de voorraad in de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw structureel aangepast (renovatie)
1946 – 1965 Voorschriften en Wenken 1946, respectievelijk 1951
1966 – 1976 Voorschriften en Wenken 1965
1977 – 1992 Voorschriften en Wenken 1976
1993 Bouwbesluit 1992.

Om de context van de bovengenoemde kenmerken beter te plaatsen, wordt vooral een beschouwing gegeven over de ontwikkeling van de kwaliteit in de tweede helft van de vorige eeuw. Vervolgens de wordt omslag van de kwaliteit op onderdelen kort behandeld, voor zover het de bouwfysische eigenschappen van een woning betreffen (de eigenschappen van het casco).

De voorgeschiedenis in een notendop

Het is al meer dan 150 jaar geleden, dat voor het eerst de in Nederlandse woningbouw op grote schaal etagewoningen werden gebouwd, zonder te weten voor wie. Het Planciusblok in Amsterdam, bestaande uit 104 wooneenheden, van architect P.J. Hamer markeert dit begin (1). Aan ontwerpers werden door filantropische woningbouwverenigingen opdrachten gegeven goede en goedkope woningen te bouwen voor een anonieme werkman. Dit is het begin van bouwen voor de sociale markt.

Een nieuwe situatie vraagt om nieuwe oplossingen en gereedschappen om er toe te komen. Medio negentiende eeuw was er niet alleen de vraag om een gepaste woonvorm, maar ook om oplossingen voor watertoevoer, fecaliën-afvoer, verlichting, ventilatie enzovoorts te bieden. Alternatieven voor de kelders, die ongeschikt waren voor bewoning. Vanwege de economische randvoorwaarden deden de eerste portiek-etagewoningen hun intreden, afgeleid van Roberts ‘basic cell’. Dit bestond uit twee gespiegelde plattegronden en een trap en zo gestandaardiseerd dat meerdere van die eenheden op elkaar konden worden samengevoegd tot een ‘huis’ en meerdere huizen tot een woonblok (2).

Pas na de Eerste wereldoorlog begon het bouwen voor de sociale ‘anonieme’ markt enige betekenis te krijgen en dus ook de bemoeienissen van architecten met dit vraagstuk. Dit vormt de eerste belangrijke verschuiving in de ontwikkeling van bouwen voor de markt in bouwen voor de sociale markt.

Ook in deze periode is er gezocht naar nieuwe oplossingen in het kader van de sociale woningbouw. Zo heeft architect Brinkman in het woningbouwproject Spangen door toepassing van een galerijstraat en gestapelde maisonnettes geprobeerd antwoord te geven op de vraag naar een nieuwe collectiviteit versus het redden van het individuele gezin als eenheid (3). In de jaren dertig kwam Van Tijen met een flexibele woningplattegrond. Hierdoor was een gedifferentieerd gezinsleven mogelijk (4). Allemaal nieuwe oplossingen voor de huisvesting, waarbij, naast opvatting over gebruik, economische overwegingen de leidraad vormden. En zo werden specifieke woongebouwen en woningtypen aan het woningbestand toegevoegd.

Echter, het meest voorkomende vooroorlogse woningtype is de eengezinswoning met uitgebouwde keuken, vaak uitgevoerd in halfsteens metselwerk en slaapkamers onder de kap. De uitgebouwde keuken was nodig om een ‘mooie kamer’ te kunnen maken (5). Daar kwam bij dat de perceelbreedte van ongeveer 5 meter, die in die tijd gangbaar was, een ingebouwde keuken niet toeliet. Opvallend was verder dat de woningen over weinig kasten beschikten en geen badruimte hadden. Deze plattegrond was in de jaren twintig algemeen gangbaar. Pas in de tweede helft van de jaren dertig onderging zij een duidelijke verandering: een ingebouwde keuken en een opgetrokken gevel.

In de periode 1918-1925 werd ongeveer 50 procent van de vooroorlogse sociale huurwoningen gebouwd. In deze periode (1919) werd dan ook door de minister omschreven, wat onder een arbeiderswoning werd verstaan en waaraan voldaan moest worden, wilde men voor een financiële bijdrage in aanmerking komen. ‘Onder arbeiderswoningen is te verstaan een woning met niet meer dan vijf kamers, waaronder drie slaapkamers en een keuken´. Van de drie slaapkamers moesten er tenminste twee voldoende ruimte bieden voor de plaatsing van twee ruime ledikanten. Behalve de drie slaapkamers moest de woning bevatten: een woonkamer, keuken of een woonkamer én een keuken, zij kan bovendien bevatten een zogenaamde ‘mooie kamer’. Dit is de eerste versie van wat na de Tweede wereldoorlog tot ‘Voorschriften en Wenken’ zal uitgroeien (6). Tevens werden beperkingen opgelegd aan de inhoud: maximaal 300 m³. De maximale inhoud wordt in 1921 teruggeschroefd naar 260 m³. Net als in de periode na de Tweede Wereldoorlog. De oppervlakte verschilt niet veel van de woningwetwoningen die gebouwd zijn in de jaren vijftig. De gemiddelde woonoppervlakte ligt dan ook ruim boven de minima voor de nieuwbouw (Voorschriften en Wenken van 1951), evenals de oppervlakte van de verschillende vertrekken.

De wederopbouwperiode

Het ministerie van Wederopbouw en Volkshuisvesting publiceerde in 1946 ‘Voorlopige Wenken’ voor de opbouw van één- en meergezinshuizen, met minimum en maximum grenzen voor de afmetingen, en het aantal vertrekken en voorzieningen (7). De inhoud werd gefixeerd op een maximum van 260 m³, exact gelijk aan dat van 1921. De minimumvoorwaarden van ‘Voorlopige Wenken’ van 1946 werden in de ‘Voorschriften van Wenken voor het ontwerpen van woningen 1951’ min of meer tot normen verheven, omdat de pressie door het departement op de bouwprijzen vrijwel geen extra’s boven deze minima toeliet (8). Tevens wilde men meer eenheid brengen in de tot dan toe geldende gemeentelijke bouwverordeningen, die onder werking van de Woningwet van 1901 naar inzicht van de plaatselijke besturen tot stand waren gekomen. Vooral uitvoerders van bouwsystemen ondervonden hinder van deze verscheidenheid. De opzet van de plattegronden moest rationeler worden, zodat een meer eenvoudige en efficiënte uitvoering kon plaatsvinden en de bouwkosten enigszins gedrukt werden. Het accent kwam te liggen op standaardisatie en normalisatie. Reeds eind jaren veertig werden door de overheid stichtingen en werkgroepen in het leven geroepen, zoals Ratiobouw en Efficiënte Woningbouw, om dit te bewerkstelligen. In 1956 werd nog een bezuinigingsmaatregel ingevoerd met het ‘Besluit uniforme bouwvoorschriften’. Voor zover de eisen van de gemeentelijke bouwverordening de bepalingen van dit besluit te boven gingen, werden deze eisen buitenwerking gesteld. In het besluit werd een groot aantal normenbladen bindend verklaard (TGB. 1956, GVB. 1950 e.d.), waarmee goede verbinding was gelegd met de ontwikkeling van de recente bouwtechniek.

De jaren vijftig

In de ‘Beschikking bijdrage woningwetbouw van 1950’ wordt de bijdrage van de overheid voortaan gekoppeld aan de huisvestingcapaciteit van de te bouwen woningen. Hierdoor komt het accent vooral te liggen op het aantal te plaatsen bedden, terwijl voor de andere woonruimte de minimale afmetingen toegepast worden. Als we kijken naar de ontwikkeling van de woonoppervlakte van woningwetwoningen tijdens deze periode, dan kunnen we constateren dat er nauwelijks een verandering optreedt; zij schommelt tussen de 53 en 58 m². Slechts op het gebied van de outillage wordt enige vooruitgang geboekt. Echter het percentage nieuwbouw woningwetwoningen, met een badruimte, respectievelijk douche, blijft beneden de 50 procent en verschilt niet veel met die van de totale voorraad in die tijd. Van belang is op te merken, dat door de overheid voor kwalitatieve verbeteringen van de vooroorlogse woningen, zoals het aanbrengen van een douche, premies en subsidie ter beschikking gesteld werden. Zo is bijvoorbeeld na 1956 in ruime mate gebruik gemaakt van de mogelijkheden om met financiële steun van de overheid vooroorlogse woningen te voorzien van een bad of douche (9). Om materiaal- en arbeidsverspilling tegen te gaan, worden voorstellen gedaan om gemeentelijke bouwvoorschriften te wijzigen; zij resulteert in de ‘Uniforme bouwvoorschriften 1956’, die op hun beurt mede door de snelle ontwikkeling in de bouwnijverheid ook weer niet beantwoorden aan hun doel. Het verbruik van niet-traditionele bouwelementen in de woningbouw neemt vanaf 1953 toe. De traditionele vloerconstructies, met de houten balkenlagen en de plank voor plank aan te brengen houten vloeren, worden veelal vervangen door grote, vooraf vervaardigde elementen van gewapend beton, of metselwerk of ter plaatse op de bouw gestorte betonnen vloeren, mede in verband met de eisen ten aanzien van de brandveiligheid. De muren bestaan over het algemeen uit grotere holle blokken van poreus beton of geprefabriceerde grote betonnen platen of zijn ter plaatse gestort. Deze toename van niet-traditionele bouwelementen kan deels worden toegeschreven aan kwalitatieve en constructieve voordelen boven de traditionele onderdelen, deels aan arbeidsbesparing op de bouwplaats en wel in hoofdzaak ten aanzien van metselaars en timmerlieden (10). Al met al is de bijdrage van de systeembouw in de jaren vijftig slechts gering geweest. Opmerkelijk is de sterke teruggang van de systeembouw na 1951: het percentage systeemwoningen ten opzichte van het totaal bedraagt in 1951 19 procent, in 1956 is deze gedaald tot 4 procent. De daling van de systeembouw na 1951 is een gevolg van, het feit dat men dacht dat de traditionele bouw op zichzelf in staat zou zijn de woningnood te overwinnen. Er werden zodanig maatregelen getroffen, dat om meer opdrachten te krijgen, de meer geïndustrialiseerde bouwmethoden in feite goedkoper moesten werken dan de traditionele bouw. Systemen, die technisch of economisch minder gunstige eigenschappen vertoonden, verdwenen en slechts een klein aantal systeembouwbedrijven, met onderling zeer verschillende bouwmethoden, bleef over. In 1959 is het percentage systeemwoningen dan weer bijna 11 procent. Dat systeemwoningen niet zonder meer een kwalitatieve verbetering betekent, blijkt uit de klachten die eind jaren vijftig geuit worden over allerlei gebreken, zoals scheurvorming.

Bronnen
Algemeen: de serie-artikelen ‘Woningtypen als ordeningsprincipe’ worden opgenomen in het essay met de gelijknamige titel en wordt voorjaar 2012 uitgegeven.

1. C. Schade, ‘Woningbouw voor arbeiders in het 19de eeuwse Amsterdam’, Amsterdam, 1981
2. C. Schade, ‘Woningbouw voor arbeiders in het 19de eeuwse Amsterdam’, Amsterdam, 1981
3. R. Dettingmeyer, ‘De strijd om een goed gebouwde stad’, in ‘Het nieuwe bouwen in Rotterdam 1920-1960’, Delft, 1982, pagina 31
4. Onder redactie van F. Ottenhof, ‘Goedkope arbeiderswoningen (1936)’, herdruk Amsterdam, 1981, pagina 42
5. 6. 7. 8. N. Luningprak, ’70 jaar woningwet: huizen, plannen, voorschriften’, plan 11/11972
9. I den Draak, ‘De huisvestingssituatie in Nederland’, Delft, 1974
10. M. Priemus, ‘Bouwen en Wonen’

Print dit artikel Print dit artikel

Categorie: Kwaliteiten, Stedenbouw en architectuur, Voorraad, woningtype als ordeningsprincipe| Reacties uitgeschakeld voor WONINGKWALITEIT IN DE TIJD: TOT EN MET 1960

Je kunt niet meer reageren!