Bestaande Woning Bouw






Woningstichting mag niet uittreden uit het bestel

26 januari, 2010 | door Haico van Nunen

Auteur: ing K. Kerkhoven

Zwolle-Lelystad, 22 januari 2010 – “De meervoudige kamer van de rechtbank Zwolle-Lelystad, sector bestuursrecht, heeft vandaag uitspraak gedaan in de zaak die een woningbouwstichting uit Ommen had aangespannen tegen de minister voor Wonen, Wijken en Integratie. De woningstichting had de minister verzocht de toelating, als instelling die uitsluitend werkzaam is in het belang van de volkshuisvesting, in te trekken. De minister had dit geweigerd.
Het door de woningstichting ingestelde beroep tegen deze weigering heeft de rechtbank vandaag ongegrond verklaard.”

Aanleiding

“De stichting had om intrekking van de toelating verzocht, omdat zij meent het belang van de volkshuisvesting beter te kunnen behartigen buiten het bestel van woningcorporaties dan binnen dit bestel. De stichting wilde haar onderneming zodanig herstructureren dat zij kon worden omgevormd tot een zogeheten ‘fiscale beleggingsinstelling’ die is vrijgesteld van vennootschapsbelasting.
Volgens de stichting was de toelating door de minister een begunstigende beschikking die op verzoek altijd moet worden ingetrokken.”
(Bron: www.rechtspraak.nl, LJ Nummer BL0237)

Afwegingen

De Rechtbank vindt dat de minister op basis van de solidariteitsgedachte (rijkere corporaties zijn in het bestel nodig om armere te ondersteunen) en de noodzaak tot publiekrechtelijk toezicht terecht heeft beslist om De Veste niet uit het bestel te laten treden. De rechtbank heeft overigens ‘terughoudend getoetst’; er is vooral gekeken naar de validiteit van de argumenten van de minister. De rechtbank zegt dat de regeling Toegelaten Instellingen in principe uittreden wel mogelijk maakt. Dat de minister het algemeen belang boven het individueel belang van de corporatie (minder belastingdruk buiten het corporatiebestel) laat meewegen, vindt de Rechtbank (hier) valide. De rechtbank vindt de toelating tot het bestel geen ‘begunstigende beschikking’ die op verzoek ook weer moet worden ingetrokken, omdat er ook veel verplichtingen aan vast zitten.

Beëindigen van toelating wel mogelijk

De Rechtbank stelt dat de letter van de wet niet toestaat dat corporaties hun toelating opgeven, maar de geest van de wet wèl. Het is bij het opstellen van de Woningwet alleen niet voorzien dat het zou gebeuren. De corporatie kan de minister dus verzoeken om een voordracht te den voor een koninklijk besluit om de toelating ongedaan te maken, zoals De Veste gedaan heeft. De minister heeft echter ook het recht om die voordracht niet te doen, zoals in dit geval gebeurd is.

Geen vrij ondernemerschap

De minister neemt in dezen een stelling (gesteund door de rechtbank) die haaks staat op de bruteringsoperatie van 1995: de onderneming en de beslissingsbevoegdheid van de corporatie over het eigen handelen en vermogen zijn ondergeschikt aan het brede maatschappelijke belang. Het ondernemerschap van de corporaties wordt hiermee weer ondergraven: de corporaties mogen maar beperkt een keuze maken in de statutaire vorm.

Toezicht in plaats van prestatieafspraken

Wat heel spijtig is voor de corporaties en de ambtenaren van VROM: de minister vindt toezicht van het hoogste belang. Er is dus geen vertrouwen dat het ministerie en de corporaties tot prestatieafspraken kunnen komen, waarmee de corporatie (al of niet binnen het bestel) tot een goede invulling van de volkshuisvestelijke doelen kunnen komen.

Onttrekken van gelden uit de volkshuisvesting

De corporaties moeten werkzaam zijn ten dienste van de volkshuisvesting en mogen alleen uitkeringen doen in het belang van de volkshuisvesting. Volgens de kasstroomprognoses van het CFV wordt per jaar ca. €77 miljoen bijgedragen aan ‘sectorspecifieke heffing onafhankelijk van resultaat’. Door corporaties te weigeren uit het bestel te treden, worden ze ook gedwongen vennootschaps¬belasting te betalen. De minister onttrekt daarmee honderden miljoenen euro’s (2008: € 185 miljoen, 2013 naar verwachting € 485 miljoen, ruim 6x de sectorspecifieke heffing!) aan het maatschappelijke kapitaal dat uitsluitend mag worden aangewend voor de volkshuisvesting. De inkomsten uit VPB vloeien immers in de algemene middelen van de overheid. Hij schiet zichzelf daarmee in de voet.

De corporaties die het bestel willen verlaten zijn waarschijnlijk graag bereid om tweemaal de huidige sectorspecifieke heffing af te dragen, prestatieeisen èn een toezichtprotocol af te spreken, als ze daarmee het bestel kunnen verlaten en de VPB-vrijstelling kunnen bereiken. Dan zijn de doelen die beide partijen zeggen te willen bereiken gewaarborgd. Of zou er wellicht ook nog een onuitgesproken financiële agenda van minister Bos op de schoot van de minister liggen?

Conclusie

De minister houdt de corporaties voorlopig dus nog in een repressieve houdgreep. Met de uitspraak blijft alles voorlopig bij het oude en is er geen urgentie om de problematiek in de sector en rond wonen in het algemeen aan te pakken. De uitspraak biedt de minister de gelegenheid om het brede woondossier (met de positie van woningcorporaties als maatschappelijk ondernemer, prestatieeisen, de huurtoeslag en Huur-op-maat, hypotheekrenteaftrek en alle andere lastige onderwerpen) weer even op de plank te laten liggen. Dat speelt dit kabinet, dat uitblinkt in uitstellen, in de kaart, maar is een verlies voor de hele maatschappij.
De corporaties krijgen van de rechter duidelijkheid over de mogelijkheid om uit het bestel te stappen. De minister heeft zijn criteria gesteld bij uittreding. De uitdaging ligt bij de corporaties om de solidariteitsbijdrage en het toezicht goed te regelen, en met dichtgetimmerde voorstellen daarvoor een nieuw verzoek tot intrekken van de toelating te doen.

Print dit artikel Print dit artikel

Categorie: Beheer, Voorraad| Reacties uitgeschakeld voor Woningstichting mag niet uittreden uit het bestel

Je kunt niet meer reageren!